Kennis delen over herstel, behandeling en
participatie bij ernstige psychische aandoeningen

 

Signaleringen vroege Psychose

2015

De FACT-behandeling is effectief in het verbeteren van positieve en andere symptomen bij jongeren met vroege psychose of groot risico op psychose
In Portland (VS) is een bevolkingsbrede preventieve interventie ontwikkeld om in een vroeg stadium het risico op psychose op te sporen en te behandelen met de Family-aided Assertive Community Treatment (FACT). FACT bestaat uit op psycho-educatie gebaseerde multi-familie-groepstherapie, elementen van ACT, begeleid werken en leren en het voorschrijven van antipsychotica. Vroege identificatie en doorverwijzing vindt plaats door in onderwijs- en gezondheidszorginstellingen het personeel voor te lichten over mogelijk psychotische symptomen. In deze Amerikaanse studie werd de effectiviteit van de FACT in zes verschillende steden getest. Bij alle doorverwezen jongeren (12-25 jaar) (n totaal=337) werd de Structured Interview for Prodromal Syndromes (SIPS) afgenomen. Op grond hiervan werden 3 groepen gevormd: Klinisch Laag Risico (KLR) (n=87), Klinisch Hoog Risico (KHR) (n=205) en Vroege Eerste Psychotische Episode (VEPE) (n=45). De KHR en de VEPE subgroepen kregen 2 jaar lang FACT aangeboden. Op baseline, na 6, 12 en 24 maanden werden, naast de SIPS, afgenomen: de Global Assessment of Functioning (GAF), de Structured Clinical Interview for DSM-IV (SCID), de Global Functioning: Social and Global Functioning: Role Scales (GF:S, GF:R), de Heinrichs Quality of Life Scale (QLS). Alleen op baseline: de Premorbid Adjustment Scale. De primaire uitkomstmaten waren: 1. overgang naar psychose; 2. positieve en negatieve symptomen; 3. negatieve gebeurtenis; 4. veranderingen in sociale- en arbeidsleven. Statistische analyses werden gemaakt met regressie analyses en de Global Test Procedure. In de KHR-groep kreeg 6,3% een psychose, in de KLR-groep 2,3%. Bij iedereen in VEPE groep trad remissie op. Het bleek dat FACT (KHR en VEPE groep) superieur was, ten opzichte van de controlegroep, op afname van positieve (KHR + VEPE: F = 25,32, p<.0001; KHR: β=-2.54, SE=0.86, p=.0034; VEPE: β=-8.77, SE=1.40, p<.0001) en negatieve symptomen en op deelname aan schoolse of werk gerelateerde activiteiten. Vroege interventie, voordat een volledige psychose ontstaat, kan aan vermindering van ziektelast bijdragen. In het commentaar wordt er op gewezen dat, hoewel het geen RCT is, deze studie aantoont dat het van groot belang is dat jongeren met een klinisch hoog risico op psychose bij hun familie betrokken blijven. McFarlane WR, Levin B, Travis L, Lucas FL, Lynch S, Verdi M, Williams D  et al. (2015). Clinical and functional outcomes after 2 years in the early detection and intervention for the prevention of psychosis multisite effectiveness trial. Schizophrenia Bulletin 41 (1), 30-43 + Addington J & van der Gaag M. (2015).  Psychosocial treatments for clinical high risk individuals. Schizophrenia Bulletin 41 (1), 22 (invited commentary). Trefwoord: Vroege Psychose

Kindermishandeling heeft biologische effecten op de hersenen die het ontstaan van psychoses kunnen verklaren
Uit veel onderzoek blijkt dat er een verband is tussen kindermishandeling en het ontstaan van psychoses. Het is nog niet duidelijk welke biologische processen tot welke veranderingen in de hersenen leiden die tot psychoses aanzetten. In deze Britse beschouwing wordt een geïntegreerd biopsychosociaal verklaringsmodel voor dit verband beschreven. Een deel van het verhaal is dat acute en chronische stress (zoals mishandeling) tot een overactiviteit van de hypothalamus-hypofyse-bijnier as (HPA-as) leidt waardoor het volume van de hippocampus af kan nemen. Deze route wordt gemedieerd door epigenetische processen zoals methylering van de glucocorticoide receptor en van  de brain-derived neurotrophic factor (BDNF) en de oxytocine receptor genen. Deze mechanismes zijn tot nu toe voornamelijk bij dieronderzoeken aangetoond. De auteurs roepen op deze verbanden ook in humane studies te gaan onderzoeken. Er worden enkele interventies beschreven die de negatieve invloed van kindermishandeling op hierboven genoemde biologische processen te niet zouden kunnen doen. Als eerste wordt de intensieve dialectische gedragstherapie genoemd. Die is ontwikkeld voor mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis, die vaak slachtoffer van kindermishandeling geweest zijn. Er is aangetoond dat na de behandeling de BDNF methylering was afgenomen. Een andere potentiële effectieve therapie voor patiënten met psychose en een geschiedenis van kindermishandeling is de Mentaliseren Bevorderende Therapie (MBT). Psychologische therapieën kunnen ervoor zorgen dat epigenetische processen worden beïnvloed. Barker V, Gumley A, Schwannauer M & Lawrie SM (2015). An integrated biopsychosocial model of childhood maltreatment and psychosis. British Journal of Psychiatry, 206(3), 177-80. Trefwoord: Psychotische stoornissen

Cannabisgebruik bij personen met een recent ontstane psychose heeft geen negatief effect op de positieve symptomen in het eerste stadium van de ziekte, maar wel op angst
Cannabisgebruik is een onafhankelijke risicofactor voor het ontstaan van psychose. Maar het is nog niet duidelijk of voortgezet cannabisgebruik bij personen die al een psychose gekregen hebben een negatieve invloed heeft op de klinische uitkomsten. In deze Britse longitudinale studie (n=110; gemiddelde leeftijd 24,2 jaar) werd er gekeken of er een dosisafhankelijk verband is tussen de consumptie van cannabis (THC) en psychotische symptomen, terugval, angst- en depressieve symptomen, algemeen functioneren en opnames. Er werd gemeten op baseline, na 4,5, 9 en 18 maanden. De frequentie van cannabisgebruik en het gemiddeld aantal grammen per dag werd op alle meetmomenten vastgesteld met de Timeline Followback (TLFB) methode. Ook het gebruik van andere middelen werd uitgevraagd. Daarnaast werden afgenomen: de Positive and Negative Syndrome Scales (PANSS), de Global Assessment of Functioning Scale (GAF), de Beck Anxiety Inventory (BAI) en de Calgary Depression Scale for Schizophrenia (CDSS). De deelnemers hadden gemiddeld 18 maanden voor het onderzoek een psychose meegemaakt en ze gebruikten gemiddeld al 10 jaar lang cannabis. Gemiddeld gebruikten ze op 4-5 dagen per week cannabis, 7-8 ‘standaard’ joints per dag. Na 48 maanden was 63,2% van de deelnemers minder gaan gebruiken. Er bleken geen significante associaties te zijn tussen de mate van cannabisgebruik en positieve symptomen, negatieve symptomen, algemeen functioneren, opnames en/of terugval. Dit sluit niet uit dat cannabisgebruik kan hebben bijgedragen aan het ontstaan van de psychose. Er bleek wel een significante associatie tussen veranderingen in cannabisgebruik en angstsymptomen en functioneren: als er meer cannabis werd gebruikt was er een stijging van de angst en werd er slechter gefunctioneerd. Zo’n verband was er niet voor depressieve symptomen. Barrowclough C, Gregg L, Lobban F, Bucci S & Emsley R. (2015). The impact of cannabis use on clinical outcomes in recent onset psychosis. Schizophrenia Bulletin 41 (2), 382-90. Trefwoord: Vroege Psychose

Voor familieleden die hulp zoeken voor een familielid dat een eerste psychotische episode meemaakt blijkt het vaak moeilijk deskundige hulp te vinden
Familieleden spelen vaak een belangrijke rol bij het vinden van hulp voor een geliefd familielid dat een eerste psychotische episode meemaakt. Om het hulpzoekproces te verbeteren is begrip van de ervaringen van die familieleden van groot belang. In deze Britse meta-synthese van kwalitatief onderzoek (13 studies) werd met behulp van de meta-etnografische methode van Noblit en Hare een synthese van die ervaringen geformuleerd. De gevonden studies waren gedaan in: Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten, Canada, Hong Kong, Brazilië, Australië en Nieuw-Zeeland. Zes studies hadden de focus op het hulpzoekgedrag van de familieleden, zeven studies geven inzicht in de hulpzoekervaringen (belevingen) van de familieleden. Alle studies werden methodologisch beoordeeld met het Critical Appraisal Skills Programme (CASP). Er werden vier hoofdthema’s gevonden: 1. ‘het niet weten’: proberen het vreemde gedrag van het familielid te duiden; 2. moment van crisis: een duidelijke schreeuw om hulp; 3. impact van de ervaringen op het helpende familielid; 4. de rol van de interacties met de sociale omgeving en hulpverleners. In de eerste fase worden vaak andere verklaringen door de familieleden bedacht voor het vreemde gedrag. Omdat er weinig bekend is over psychotische symptomen en de mogelijke ondersteuning wordt er vaak pas professionele hulp gezocht als er een crisissituatie is ontstaan. Vaak bleken eerstelijns hulpverleners (zoals huisartsen) ook geen adequate kennis over psychotische symptomen te hebben. Het hulpzoekproces heeft ook vaak een sterke emotionele impact op de familieleden. De familieleden hebben gemengde ervaringen met de GGZ-hulpverleners: van begripvol tot buiten sluitend. Het is duidelijk dat er meer behoefte is aan het ontwikkelen van informatie over psychose die niet bedreigend en toegankelijk is. Ook zouden niet-GGZ hulpverleners (zoals huisartsen) en onderwijzend personeel een training moeten krijgen in het herkennen van vroege tekenen van psychose. Cairns VA, Reid GS & Murray C. (2015). Family members’ experience of seeking help for first-episode psychosis on behalf of a loved one: a meta-synthesis of qualitative research. Early Intervention in Psychiatry 9 (3), 185-99. Trefwoord: Vroege Psychose

Voorschrijven van medicatie bij eerste psychotische periode gebeurt nog vaak niet volgens de richtlijnen
In deze editorial wordt naar aanleiding van een onderzoek van Robinson et al. dat in hetzelfde nummer van de American Journal of Psychiatry verscheen, een overzicht gegeven van wat bekend is over hoe het beste kan worden omgegaan met patiënten die voor het eerst medicatie voor hun psychose voorgeschreven krijgen. Robinson et al. rapporteren over een Amerikaans onderzoek naar de voorschrijfpraktijken in het kader van het Recovery After an Initial Schizophrenia Episode – Early Treatment Program (RAISE-ETP). In 40% van de gevallen werd er afgeweken van de richtlijnen: er werd naast een antipsychoticum zonder duidelijk reden een antidepressivum voorgeschreven; of er werd olanzapine of meer dan één antipsychoticum voorgeschreven. De auteurs staan op het standpunt dat er in uitzonderlijke gevallen van de richtlijnen afgeweken mag worden, maar dat het leidende principe shared decision making moet zijn, de keuze moet in zeer nauw overleg met de patiënt (en eventueel de familie) gebeuren. De auteurs komen tot de volgende aanbevelingen: 1. Nooit meerdere antipsychotica tegelijk voorschrijven; 2. Altijd zoeken naar de geringste dosis van het antipsychotica die nog effectief is, om zoveel mogelijk bijwerkingen te voorkomen; 3. Nooit olanzapine of clozapine als eerste medicatie voorschrijven (dat is vanwege de bijwerkingen); 4. Het gebruik van antidepressiva is voor deze doelgroep complex, maar deze moeten zeker niet standaard worden voorgeschreven. Wel als de patiënt een depressie heeft ontwikkeld. Er is evidentie dat antidepressiva soms helpen om de negatieve symptomen te verminderen. Dixon LB & Stroup TS. (2015). Medications for first-episode psychosis: making a good start. American Journal of Psychiatry 172 (3), 209-11. Trefwoord: Vroege Psychose

Het Fast Track preventieprogramma is ook op de lange termijn effectief in het verminderen van psychopathologie en misdaad
Het is algemeen bekend dat antisociale volwassenen vaak al in hun vroege jeugd gedragsproblemen hadden. Het unieke Amerikaanse Fast Track programma is een RCT die begon met drie cohorten van 6-jarigen met gedragsproblemen (n totaal=891) in de jaren 1991-1993 in vier verschillende Amerikaanse plaatsen. Fast Track bood 10 jaar lang preventieve interventies voor de interventiegroep en hield goed bij in hoeverre de interventie- en de controlegroep van elkaar verschilden op o.a. psychische stoornissen, gedragsstoornissen, crimineel gedrag en welbevinden. De interventies bestonden o.a. uit sociale vaardigheidstrainingen, training van ouders in de thuissituatie (in omgaan met de kinderen), coaching van peers en sociaal-emotionele curricula in de klas door de leraren (kosten per persoon: $ 58.000). In dit onderzoek wordt verslag gedaan van de uitkomsten 8 jaar na beëindiging van het programma, de respondenten waren toen 25 jaar (n=702). Daarnaast werd ernaar gestreefd één vriend per respondent te interviewen over de respondent (n=535). Naast het verzamelen van gegevens over crimineel gedrag uit politie- en rechtbankdatabases werden o.a. de volgende vragenlijsten afgenomen: Adult Self-Report, Tobacco, Alcohol and Drugs survey, een zelf ontwikkelde indicator voor externaliserend en internaliserend probleemgedrag, Short-Form Health survey, Education Information, Overview of Sexual Experiences, General Violence Questionnaire, Being a Parent Scale. Uit de logistische regressie analyses op basis van intention-to-treat kwam naar voren dat 69% van de deelnemers uit de controlegroep op z’n minst één externaliserend, internaliserend of aan middelen misbruik gerelateerd psychiatrisch probleem had op 25-jarige leeftijd, tegenover 59% van respondenten uit de interventiegroep (OR=0.59, BI=0.43-0.81; NNT=8). Ook het criminele gedrag (geweldsdelicten: -31%) en riskant seksueel gedrag was bij de interventiegroep significant lager. Op het behalen van een opleiding of het vinden van werk had de interventie geen invloed. Hiermee is aangetoond dat preventieve interventies effectief en kostenbesparend kunnen zijn. Meer informatie: www.fasttrackproject.org Dodge KA, Bierman KL, Coie JD, Greenberg MT, Lochman JE, McMahon RJ, Pinderhughes EE & Conduct Problems Prevention Research Group (2015). Impact of early intervention on psychopathology, crime, and well-being at age 25. American Journal of Psychiatry 172 (1), 59-70. Trefwoord: Psychotische stoornissen

Een multimodale interventie om medicatietrouw in eerste fase van psychose te verbeteren moet bestaan uit online psycho-educatie, motiverende gespreksvoering en SMS-berichten
Doel van dit onderzoek is om een multimodale interventie te ontwikkelen die medicatietrouw in de eerste fase van de eerste psychotische episode moet verbeteren. De eerste ervaringen met anitpsychotica kunnen ertoe leiden dat de patiënt stopt met innemen, waardoor de prognose verslechtert. Medicatietrouw is een zeer complex, gedeeltelijk dynamisch proces. In deze internationale studie werden eerst de belangrijkste determinanten van medicatietrouw uit de literatuur opgespoord: houding ten opzichte van medicatie, ziekte-inzicht en gevoel van eigenwaarde (self-esteem). Voor een analyse naar de onderlinge verbanden tussen deze concepten en de invloed daarvan op medicatietrouw werden data gebruikt van een cohort patiënten (n=309) die binnen 2 weken na de manifestatie van de eerste of tweede niet-affectieve psychotische episode werden gerekruteerd. Op baseline, na 6 weken, na 3 en 18 maanden werden afgenomen: de Rosenberg Self-Esteem Scale, de Insight Scale van Birchwood met drie subschalen: relabeling symptoms, awareness of illness en need for treatment (zelfrapportage), het insight item van de Positive and Negative Syndrome Scale (PANSS) (score door hulpverlener) en de Drug Attitude Inventory (DAI). Met behulp van structural equation modellen werden de verbanden tussen de verschillende concepten met elkaar vergeleken. Er waren vijf latente constructen nodig om veranderingen op de lange termijn te kunnen verklaren: Objectief (ziekte-)Inzicht, Zelfgerapporteerd (ziekte-)Inzicht, Gevoel van Eigenwaarde, Houding ten opzichte van Medicatie, erkende Behoefte aan Behandeling. Deze constructen beïnvloeden elkaar als er veranderingen optreden, behalve het gevoel van eigenwaarde en de houding ten opzicht van medicatie. Een interventie mag geen inbreuk maken op het zelfconcept. Daarom komen de auteurs tot de conclusie dat een multimodale interventie om medicatietrouw te verhogen moet bestaan uit een combinatie van: motiverende gespreksvoering, automatische herinnerings-SMS-berichten en online aangeboden psycho-educatie. Drake RJ, Nordentoft M, Haddock G, Arango C, Fleischhacker WW, Glenthøj B, Leboyer M et al  (2015). Modeling determinants of medication attitudes and poor adherence in early nonaffective psychosis: implications for intervention. Schizophrenia Bulletin 41 (3), 584-96. Trefwoord: Vroege Psychose

De ervaringen omtrent een Eerste Psychotische Episode zijn traumatisch voor de lange termijn maar lijken slechts voor klein deel op PTSS
De ontwrichtende ervaring van de Eerste Psychotische Episode (EPE) kan leiden tot een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS). In deze Australische longitudinale kwalitatieve studie werden tien deelnemers die een EPE hadden doorgemaakt 3 à 6 maanden na de acute fase geïnterviewd (T1) over deze ervaring en nogmaals 3 maanden na het eerste interview (T2). Daarnaast werden behandelaars en/of belangrijke anderen van deze deelnemers geïnterviewd. De interviewdata werden met behulp van de Interpretatieve Fenomenologische Analyse (IPA) thematisch geanalyseerd. Op T1 werden afgenomen: de Mini-International Neuropsychiatric Interview (MINI) en de Positive and Negative Syndrome Scale (PANSS). Op T2 alleen de PANSS. Twee onderwerpen stonden centraal in de interviews: a. begrip van de ervaring van de EPE en de behandeling ervan; b. het blijvende effect van de EPE. Uit de IPA kwamen zes kernthema’s naar voren: 1. De behandeling werd als gedwongen ervaren; dat kon tot gevoelens van onmacht leiden; 2. Desintegratie: men voelde verlies van controle over zichzelf en over de contacten met anderen; 3. Stigma werd ervaren, zowel zelf-stigma als stigma van anderen; 4. Gevoelens van vervreemding: dit gevoel was er voornamelijk in de herstelfase; 5. Gevoelens van verlies en gemis: ook voornamelijk in de herstelfase; 6. De stoornis werd als een voortdurend probleem gezien. Op grond hiervan kan gezegd worden dat de trauma opwekkende pijn van de EPE maar voor een klein deel samenvalt met de diagnostische criteria van PTSS. De EPE-ervaring heeft een blijvend effect op de identiteit, de relaties met anderen en het wereldbeeld. De EPE-ervaring heeft een fundamentele invloed op het zelfgevoel en op het omgaan met anderen. Hiermee moeten hulpverleners rekening houden. Dunkley JE, Bates GW & Findlay BM. (2015). Understanding the trauma of first-episode psychosis. Early Intervention in Psychiatry 9 (3), 211-20. Trefwoord: Vroege Psychose

De redeneerfout ‘te snel conclusies trekken’ komt bij personen met een Eerste Psychotische Episode twee keer zo vaak voor als bij de controlegroep
Er zijn meerdere vormen van ‘verkeerd redeneren en verkeerde conclusies trekken’ (reasoning biases), maar het fenomeen Jumping-to-Conclusions (JTC) (‘te snel conclusies trekken’) wordt sterk geassocieerd met psychoses. JTC is nog maar weinig onderzocht bij personen met een Eerste Psychotische Episode (EPE). In deze Britse studie werd bekeken of JTC meer voor komt bij een groep met EPE (n=108) in vergelijking met een controlegroep uit de algemene bevolking (n=101) en of er verbanden zijn tussen JTC en de ernst van de wanen én tussen JTC en het neuropsychologisch functioneren. JTC werd gemeten met een probabilistische redeneertaak met verschillende potten met kralen. Neuropsychologisch functioneren met de Wechsler Adult Intelligence Scale-Third Edition (WIAS-III); hiermee werden o.a. de intelligentie (IQ) en het werkgeheugen (WM) gemeten. Klinische wanen werden gemeten met een schaal van de Positive and Negative Syndrome Scale (PANSS). Niet-klinische waanideevorming werd gemeten met de Psychosis Screening Questionnaire (PSQ). Het bleek dat de helft (49%) van EPE-groep te snel conclusies trok, in ieder geval op één taak, tegenover 25% van de controlegroep (OR range van 2.1 tot 3.9; BI range van 1.5 tot 8.0). Er was een duidelijke associatie tussen JTC en de klinische ernst van de wanen en tussen JTC en het neuropsychologische functioneren –zowel met IQ als met WM-, maar niet tussen JTC en de niet-klinische waanideevorming. Deze laatste associaties gelden zowel voor de EPE-groep als voor de controlegroep. JTC maakt onderdeel uit van een neuropsychologische kwetsbaarheid voor psychose en JTC draagt bij aan het voortbestaan van actuele wanen. Daarom wordt aangeraden om al in en vroeg stadium psychologische interventies in te zetten om JTC en wanen te behandelen. Falcone MA, Murray RM, Wiffen BD, O’Connor JA, Russo M, Kolliakou A, Stilo S et al (2015). Jumping to conclusions, neuropsychological functioning, and delusional beliefs in first episode psychosis. Schizophrenia Bulletin 41 (2), 411-8. Trefwoord: Vroege Psychose

Personen met een Ultra Hoog Risico op psychose (UHR) hebben in hun kindertijd significant vaker trauma’s en minder recente levensgebeurtenissen meegemaakt dan gezonde personen
Uit de literatuur komt naar voren dat er een verband is tussen psychotische stoornissen en het hebben meegemaakt van trauma’s in de kindertijd en/of van recente levensgebeurtenissen. In deze Nederlandse meta-analyse werd onderzocht of UHR-patiënten deze beide fenomenen significant vaker meemaken dan gezonde controles uit de algemene bevolking. Onder kindertrauma’s werd verstaan: psychologisch, fysiek, emotioneel of seksueel misbruik en emotionele verwaarlozing vóór het 17de jaar. Onder recente stressvolle levensgebeurtenissen werd verstaan: een substantiële (meestal gevaarlijke) verandering in iemands persoonlijke omstandigheden in de maanden voor de psychose. Er werden alleen studies geselecteerd waarbij UHR was gemeten met de Comprehensive Assessment of At Risk Mental State (CAARMS) of de Structured Interview for Prodromal Syndromes (SIPS). Er werden in totaal 16 studies geselecteerd, waarmee drie meta-analyse werden uitgevoerd (totaal aantal UHR 1111 en 335 controles). In de eerste meta-analyse werden 6 studies geïncludeerd waarmee de gemiddelde prevalentie van trauma’s werd berekend. Die bleek 86.8% (95% BI 77%-93%) te zijn. In de tweede meta-analyse (3 studies) werden de trauma-scores van UHR-patiënten vergeleken met die van gezonde controles. Bij de controles was de prevalentie van trauma’s significant lager, nl. tussen de 42.7% en de 60%. Die vergelijking tussen beide groepen resulteert in een Random effects Hedges’ g=1.09; Z=4.60, p<.001. De meta-analyse naar recente levensgebeurtenissen (2 studies) had als uitkomst dat de UHR-patiënten significant minder die gebeurtenissen meemaakten dan de gezonde controles (Random effects Hedges’ g=-0.53; Z=-2.36, p<.02). Omdat slechts 10-20% van de UHR-populatie uiteindelijk een volledige psychotische stoornis ontwikkeld, kunnen kindertrauma’s niet als de grootste risicofactor voor het ontstaan van psychoses gezien worden. Die trauma’s veroorzaken waarschijnlijk een algemene psychische kwetsbaarheid. Kraan T, Velthorst E, Smit F, de Haan L & van der Gaag M. (2015). Trauma and recent life events in individuals at ultra high risk for psychosis: review and meta-analysis. Schizophrenia Research 161 (2-3), 143-9. Trefwoord: Psychotische stoornissen

Bij personen met een Klinisch Hoog Risico op psychose (KHR) zijn de sociale cognities op alle domeinen significant lager dan bij gezonde personen
Uit recente meta-analyses is naar voren gekomen dat de sociale cognitie bij personen met schizofrenie en bij de KHR-groep aanmerkelijk slechter is dan bij de doorsnee bevolking. In de Amerikaanse Social Cognition Psychometric Evaluation (SCOPE) worden vier sociaal-cognitieve domeinen onderscheiden: 1.Theory of Mind (ToM): het vermogen om zich een beeld te vormen van het perspectief van een ander; 2. Sociale Perceptie (SP): het vermogen om bepaald gedrag in algemene categorieën te kunnen plaatsen; 3. Attributional Bias (AB) (‘vertekening van de attributie): gaat over toekennen van oorzaken van gedrag (intern of extern); bij AB wordt de attributie verkeerdelijk intern of extern gelegd; 4. Emotion Processing (EP): het kunnen herkennen van emoties uit gezichtsuitdrukkingen, lichaamstaal e.d. Vaak wordt maar één sociaal domein of alle domeinen gelijktijdig onderzocht. Deze Koreaanse meta-analyse onderzoekt het verschil tussen KHR en gezonde controles op alle sociale domeinen gezamenlijk én apart per sociaal-cognitief domein. Verder werd gekeken of de groep KHR die later een psychose heeft ontwikkeld een ander sociaal-cognitief profiel heeft als de KHR-groep die geen psychose heeft gekregen. In totaal werden 22 studies geïncludeerd met 1229 personen met KHR en 825 gezonde controles. De verschillen tussen beide groepen werden omgerekend naar effectgroottes uitgedrukt in Hedges’ g. Het bleek dat op alle domeinen de KHR-populatie in vergelijking met de gezonde controles aanzienlijke sociaal-cognitieve beperkingen had: op het totaal was het verschil middelmatig (g=-0.477). Voor AB was het groot (g=-0.708); voor EP (g=-0.446 en ToM (g=-0.425) middelmatig en voor SP (g=-0.383) klein. Voor de KHR-populatie was de sociale beperking het groots voor het AB-domein. Het is opmerkelijk dat het deel van de KHR-populatie dat geen psychose kreeg vaker een sterke interne attributie had dan het deel dat wel een psychose kreeg. Lee TY, Hong SB, Shin NY & Kwon JS. (2015). Social cognitive functioning in prodromal psychosis: A meta-analysis. Schizophrenia Research 164 (1-3), 28-34. Trefwoord: Vroege Psychose

Hoge prevalentie van co-morbide depressieve- en/of angststoornis in een Aziatisch cohort met Ultra Hoog Risico op psychose (UHR)
Uit recente meta-analyses blijkt dat een groot deel van de UHR-populatie ook een niet-psychotische psychiatrische stoornis heeft. Daar staat tegenover dat er weinig bewijs is dat die co-morbiditeit invloed heeft op de overgang naar een psychose. In deze studie uit Singapore werd in het kader van de Longitudinal Youth at Risk Study (LYRIKS) een groep met UHR (n=163) gerekruteerd met de Comprehensive Assessment of At-Risk Mental State (CAARMS) met als doel de prevalentie van co-morbide stoornissen op te sporen en te kijken wat voor klinische en functionele invloed die co-morbide stoornissen hebben. Behalve de CAARMS werden afgenomen: de Structured Clinical Interview for DSM-IV-TR Axis I Disorders (SCID), de Positive and Negative Syndrome Scale (PANSS), de Calgary Scale for Schizophrenia (CDDS), de Beck Anxiety Inventory (BAI), de Global Assessment of Functioning (GAF) en de Brief Assessment of Cognition in Schizophrenia (BACS). Met behulp van multivariate en logistische regressie analyses werden de data verwerkt. Het bleek dat 80.4% van de UHR-deelnemers ooit in het leven een co-morbide diagnose had gehad en dat 50,3% een actuele co-morbide diagnose had. De meeste frequente diagnoses waren depressieve stoornissen en angststoornissen. In vergelijking met de UHR-groep zonder co-morbiditeit, scoorde de UHR-groep met co-morbiditeit (zowel ooit als actueel) significant hoger op distress (gemeten met CAARMS), op positieve en algemene psychopathologie (PANSS), op depressie (CDSS) en op angst (BAI), en lager op algemeen functioneren (GAF). Op de cognitiescores waren er geen verschillen tussen de groepen. Er werd een cumulatief effect gemeten: de groep die een diagnose voor zowel depressie als angst had scoorde significant slechter dan de groepen die slechts één of geen co-morbide diagnose hadden. Er was een direct verband tussen slecht functioneren en een actuele co-morbiditeit. Er was geen verschil in co-morbiditeit tussen de groep die binnen een jaar een psychose ontwikkelde (slechts 6,7%) en de grote groep waarbij dat niet gebeurde. Lim J, Rekhi G, Rapisarda A, Lam M, Kraus M, Keefe RS & Lee J (2015). Impact of psychiatric comorbidity in individuals at Ultra High Risk of psychosis – Findings from the Longitudinal Youth at Risk Study (LYRIKS). Schizophrenia Research 164 (1-3), 8-14. Trefwoord: Vroege Psychose

Slechts 7% van groep met Ultra Hoog Risico op psychose (UHR) die geen psychose ontwikkelt, heeft of krijgt géén co-morbide psychiatrische stoornis
Op de middellange termijn ontwikkelt twee derde van de groep met een Ultra Hoog Risico op psychose (UHR) geen psychotische stoornis. Uit de literatuur komt naar voren dat deze groep wel ernstige psychische problemen houdt. In deze Australische studie werd onderzocht wat de prevalentie en het beloop was van de problemen van UHR-jongeren (n=226) die tussen 1993 en 2006 in de Personal Assessment and Crisis Evaluation (PACE) kliniek te Melbourne behandeld waren. De follow-up meting vond plaats tussen de 2 en 14 jaar na ontslag uit de kliniek. Op baseline zijn afgenomen: Brief Psychiatric Rating Scale (BPRS), Scale for the Assessment of Negative Symptoms (SANS), de Comprehensive Assessment of At-Risk Mental State (CAARMS), de Global Assessment of Functioning (GAF), de Wechsler Adult Intelligence Scale-Revised (WAIS-R). Bij de follow-up: Structured Clinical Interview for DSM-IV Axis I Disorders (SCID-I), CAARMS en persoonlijke interviews. Voor het beloop van de niet-psychotische stoornissen werden vier groepen onderscheiden: nooit, permanent of terugkerend, remissie of incidenteel. Het cohort werd in drie subgroepen verdeeld: lange follow-up periode (cohort 1993-2000), middelmatige (2001-2003) en korte (2004-2006). Het bleek dat bij follow-up 68,1% van het hele cohort aan de criteria voor tenminste één psychiatrische stoornis voldeed: stemmingsstoornissen bij 49%, angststoornissen bij 35% en middelenverslaving bij 29%. Daarnaast had 28% bij follow-up Attentuated Psychotic Symptoms (APS), afgezwakte psychotische symptomen. Op baseline was bij 90% van de deelnemers een niet-psychotische stoornis vastgesteld en die bleef bij 52% van hen tot aan de follow-up aanwezig. Bij de follow-up had 26% een remissie meegemaakt, maar 38% had een nieuwe stoornis ontwikkeld. Slechts 7% van het cohort had noch op baseline noch bij follow-up een stoornis. Vrouwelijke deelnemers hadden hogere scores voor een permanente stoornis. Lin A, Wood SJ, Nelson B, Beavan A, McGorry P & Yung AR.(2015). Outcomes of nontransitioned cases in a sample at ultra-high risk for psychosis. American Journal of Psychiatry 172 (3), 249-58. Trefwoord: Vroege Psychose

Ambulant Vroeg Interventie Team voor jongeren met hoog risico op psychose effectief in terugdringen van psychotische-, depressieve- en angst-symptomen
Het grootste deel van de psychische stoornissen ontstaat tussen het 14de en 24ste levensjaar. Over het algemeen wordt aangenomen dat het kosteneffectief is om in een vroege fase van een psychische stoornis interventies aan te bieden. In deze Engelse studie wordt verslag gedaan van de cliëntkenmerken van en behandelingsresultaten bij een groep jongeren met een hoog risico op een psychose (n=57; tussen 14-17 jaar) die drie jaar door het Central Norfolk Early Intervention Team (CNEIT), voornamelijk ambulant, werd behandeld. Het CNEIT biedt outreachende hulp in de vorm van o.a. cognitieve gedragstherapie, case management en sociale ondersteuning aan de jongere en zijn familie. De volgende meetinstrumenten werden op baseline, na 12 maanden en na 3 jaar afgenomen: de Positive and Negative Symptom Scale (PANSS), de Beck Depression Inventory-Second Edition (BDI-II), Beck Anxiety Inventory (BAI), de Schizotypal Symptoms Inventory (SSI), de Global Assessment of Functioning Scale Symptoms, de Social and Occupational Functioning Assessment Scale (SOFAS), de Brief Core Schema Scales (BCSS) en de Camberwell Assessment of Need (CAN). Op baseline werd onderscheid gemaakt tussen de groep met ernstige/middelmatige psychotische symptomen op de PANSS (n=34; 63.9%;) en de groep met milde symptomen op de PANSS (n=23). Na 12 maanden had nog maar 40,7% ernstige/middelmatige symptomen. Op baseline had 68,6% van de cliënten middelmatige of ernstige depressiesymptomen zoals gemeten met de BDI-II en had 60% ernstige angstsymptomen zoals gemeten met de BAI. Op baseline had 39,3% geen enkele bezigheid op het gebied van (vrijwilligers) werk of opleiding. Na 12 maanden en na 3 jaar was er een significante verbetering opgetreden op sociaal- en arbeidsgebied volgens de SOFAS (van gemiddeld=54.93 naar gemiddeld =71.29). Ook de scores voor depressie en angst namen af. Na drie jaar kon 64,7% van de cliënten worden doorverwezen naar de huisarts: de complexiteit van de problemen was succesvol naar een aanvaardbaar niveau teruggebracht. Lower R, Wilson J, Medin E, Corlett E, Turner R, Wheeler K & Fowler D. (2015). Evaluating an early intervention in psychosis service for ‘high-risk’ adolescents: symptomatic and social recovery outcomes. Early Intervention in Psychiatry 9 (3), 260-7. Trefwoord: Vroege Psychose

De groep eerste psychose patiënten met een historie van delinquent gedrag heeft een specifiek profiel en verdient speciale aandacht
Er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar de Historie van Delinquent Gedrag (HDG) bij patiënten met een Vroege Psychose (VP). In deze Zwitserse-Australische studie werd dossieronderzoek gedaan bij een representatief cohort VP-patiënten dat tussen 1998 en 2000 werd behandeld in het Early Psychosis Prevention and Intervention Centre (EPPIC) (n=674) te Melbourne. Doel was om 1. de prevalentie van HDG op te sporen; 2. de specifieke cliëntkenmerken van de HDG-groep in beeld te krijgen; 3. te kijken of de HDG-groep na 18 maanden behandeling door het EPPIC verschilde van de niet-HDG-groep. De diagnose werd vastgesteld met de Structured Clinical Interview for DSM-IV (SCID/P). In de dossiers werden de volgende soorten delicten gevonden: vermogensdelicten, verkeersdelicten, druggerelateerde delicten, geweldsdelicten en seksuele delicten. Pre-morbide functioneren werd vastgesteld met de Global Assessment of Functioning scale (GAF) en de Duration of Untreated Psychosis scale. Ook vroegere suïcidepogingen en traumatische jeugdervaringen zijn in de dossiers terug te vinden. Op baseline en na 18 maanden werden, naast de GAF, afgenomen: de Clinical Global Impressions scale (CGI) en de Modified Vocational Status Index (MVCI). Ook werden medicatietrouw en middelenverslaving gescoord. Met behulp van logistische regressie analyse werden de associaties tussen de HDG-groep en de niet-HDG-groep vs. de klinische variabelen in Odds Ratios (OR) uitgerekend. Het bleek dat 28,9% van de hele VP-groep een Historie van Delinquent Gedrag (HDG) had. De HDG-groep was significant eerder man (OR=2.09) en had een langere Duur van Onbehandelde Psychose (DOP) (OR=1.33). Ze had ook lagere GAF-scores, minder opleiding en significant meer middelenverslaving (OR=1.72). Op het einde van de behandeling bleek de HDG-groep, ten opzichte van de niet-HDG-groep, vaker opgenomen te zijn geweest, minder met de behandeling mee te werken, minder ziekte-inzicht te hebben en nog steeds vaker middelenverslaving te hebben. Omdat hun delicten vaak vóór de vaststelling van een VP hebben plaatsgevonden roepen de auteurs op om eerder op psychose te gaan screenen bij delinquente jongeren. Marion-Veyron R, Lambert M, Cotton SM, Schimmelmann BG, Gravier B, McGorry PD & Conus P (2015). History of offending behavior in first episode psychosis patients: a marker of specific clinical needs and a call for early detection strategies among young offenders. Schizophrenia Research 161 (2-3), 163-8. Trefwoord: Vroege Psychose

De Compensatory Cognitive Training (CCT) lijkt ook effectief voor personen die een eerste psychotische episode doormaken
Er is bewijs dat Cognitieve Remediatie Training (CRT) werkzaam is om de cognitieve beperkingen, die bij personen met schizofrenie vaak voorkomen, te verbeteren. Hoewel cognitieve beperkingen vaak al voorkomen bij personen die een psychose doormaken, vóórdat ze daadwerkelijk een psychose krijgen, wordt CRT nog maar weinig aangeboden in het vroege psychose circuit. In deze Canadese pilot- en haalbaarheidsstudie in de vorm van een RCT werd een recent ontwikkelde CRT-training op zijn effectiviteit getest bij een kleine groep (n=27) personen die een eerste psychotische periode meemaakte. Het gaat om de Compensatory Cognitive Training (CCT) interventie: de deelnemers krijgen in 12 wekelijkse groepssessies van 2 uur een training in het leren toepassen van nieuwe cognitieve strategieën gericht op de domeinen prospectief geheugen, attentie en waakzaamheid, leren en executieve functies met als doel nieuwe cognitieve gewoontes te ontwikkelen (CCT 16 personen; TAU 11). De volgende meetinstrumenten werden op baseline en na 12 weken afgenomen: de Wechsler Test of Adult Reading (WTAR), de Measurement and Treatment Research to Improve Cognition in Schizophrenia Consensus Cognitive Battery (MCCB), de University of California, San Diego Performance Based Skill Assessment-Brief Version (UPSA-B), de Mayer-Salvoley-Caruso Emotional Intelligence Test (MSCEIT), de Positive and Negative Syndrome Scale (PANSS) en de Calgary Depression Scale for Schizophrenia (CDSS). Met behulp van regressie analyses (ANCOVA) werden de effecten in beeld gebracht. De CCT-groep ging, in vergelijking met de controlegroep, significant vooruit op de totale MCCB-score (p=.002), op het onderdeel Trail Making, part A (p=.032) en op de MSCEIT (p=.041). Ook verbeterde –niet significant- de CCT-groep op een aantal andere onderdelen van de MCCB, maar waren er geen verschillen in de positieve, negatieve en depressieve symptomen. De CCT-interventie is haalbaar en kan tot verbeteringen in cognitie en sociale cognitie leiden bij personen met een eerste psychose. Mendella PD, Burton CZ, Tasca GA, Roy P, St Louis L & Twamley EW (2015). Compensatory cognitive training for people with first-episode schizophrenia: results from a pilot randomized controlled trial. Schizophrenia Research 162 (1-3),  108-11. Trefwoord: Vroege Psychose

De OPUS trial heeft ervoor gezorgd dat vroege psychose teams in heel Denemarken zijn ingevoerd
In dit beschrijvende artikel wordt de geschiedenis van de introductie en verspreiding van eerste-psychose-hulpverlening in Denemarken beschreven. Het begon met de OPUS I trial die van 1998 tot en met 2000 liep. Hierbij werden 547 patiënten met een eerste psychose gerandomiseerd in óf een intensief assertief behandelprogramma (n=275) (OPUS) óf de standaard behandeling. OPUS is geen acroniem maar verwijst naar het begrip ‘opus’ uit de muziekwereld. Binnen OPUS werden psychiatrische, psychologische en sociale interventies geïntegreerd. Samenwerking en respect waren kernwaarden. De hulpverlening had drie kernelementen: ACT, betrokkenheid van de familie en sociale vaardigheidstrainingen. Na 2 jaar bleek de OPUS-groep significant beter te scoren, in vergelijking met de controlegroep, op psychotische en negatieve symptomen, zij had minder middelenmisbruik, gebruikte lagere dosis antipsychotica, had een hogere tevredenheid met de behandeling en had minder opnames gehad. Na 5 jaar, 3 jaar nadat de OPUS-patiënten naar de standaardzorg waren over gegaan waren de meeste positieve klinische effecten verdwenen. De OPUS-zorg was ook kosten-effectiever dan de standaard zorg. Naar aanleiding van de positieve resultaten van OPUS besloot het Deense parlement om overal Vroege Interventie Teams op te richten: in 2013 waren er 20 teams. Deze interventie is alleen beschikbaar voor personen vanaf hun 18de jaar. In de nu lopende OPUS II trial worden de resultaten van 2 jaar intensieve behandeling vergeleken met die van 5 jaar intensieve behandeling. In de loop van 2015 zullen de resultaten van OPUS II naar buiten komen. Nordentoft M, Melau M, Iversen T, Petersen L, Jeppesen P, Thorup A, Bertelsen M et al (2015). From research to practice: how OPUS treatment was accepted and implemented throughout Denmark. Early Intervention in Psychiatry 9 (2), 156-62. Trefwoord: Vroege Psychose

In Australië is geen verband gevonden tussen het hebben van een psychotische stoornis en het wonen in een sociale achterstandsbuurt of het migrant zijn
Uit de literatuur komt naar voren dat, in ieder geval in Noord-Amerika en Europa, sociale omgevingsfactoren zoals wonen in een achterstandswijk, grote mate van urbanisatie en migratie erkende risicofactoren zijn voor psychotische stoornissen. In deze Australische studie werd onderzocht of er een verband is tussen sociale achterstand en het risico op het ontstaan van een psychose bij een Ultra Hoog Risico op psychose (UHR) populatie en of er bij migranten met UHR een groter risico op psychose bestaat (N=219). Het gaat om een groep die in behandeling was bij het Personal Assessment and Crisis Evaluation (PACE) centrum in Melbourne. In  het PACE worden  jongeren vanaf 15 jaar behandeld bij wie UHR of een overgang naar psychose is vastgesteld met behulp van de Comprehensive Assessment of At-Risk Mental States (CAARMS). Sociale achterstand werd vastgesteld op grond van de postcode van het huisadres van de cliënten met gebruikmaking van de Socio-Economic Indexes for Areas (SEIFA) van het Australisch Bureau voor de Statistiek. De migratie status werd verkregen middels interviews met de cliënten. Er werd onderscheid gemaakt tussen eerste en tweede generatie migranten. Met behulp van Cox regresssie analyses werden de hazard ratio’s berekend. Van de totale UHR-groep bleek na 4,8 jaar 14,6% een psychose ontwikkeld te hebben. Er bleek geen verband tussen de mate van sociale achterstand en het risico op overgang naar een psychose (p=0.83). Hierbij speelt altijd de vraag of de persoon met een psychose al in de wijk woonde voordat de psychose zich voordeed of dat hij in de achterstandswijk terecht is gekomen vanwege de psychose. Ook voor de eerste en tweede generatie migranten gold dat zij geen hoger risico op het ontwikkelen van psychoses hadden (p=0.84). Hiermee wijken deze Australische resultaten sterk af van wat er tot nu in Noord-Amerika en Europa gevonden is. O’Donoghue B, Nelson B, Yuen HP, Lane A, Wood S, Thompson A, Lin A et al (2015). Social environmental risk factors for transition to psychosis in an Ultra-High Risk population. Schizophrenia Research 161 (2-3), 150-5. Trefwoord: Psychotische stoornissen

Niet-natuurlijke sterfte is 13 maal groter in cohort personen met psychotische stoornis of schizofrenie dan in algemene bevolking
Uit alle data blijkt dat personen met een psychotische stoornis of schizofrenie tussen de 15 en 20 jaar eerder sterven dan hun leeftijdsgenoten in de algemene bevolking. Er is nog weinig bekend over de klinische en sociale risicofactoren die deze ongelijkheid kunnen verklaren. In deze Engelse cohort studie werden 557 personen die een eerste psychotische episode doormaakten voor minimaal 10 jaar gevolgd: de Aetiology and Etnicity in Schizophrenia and Other Psychoses (ӔSOP) studie. Alle patiënten hadden zich voor het eerst bij de GGZ in Zuidoost Londen of Nottinghamshire gemeld. De Standardized Mortality Ratios (SMR’s) met 95% betrouwbaarheidsintervallen werden uitgerekend voor alle, natuurlijke en niet-natuurlijke doodsoorzaken. De SMR is een relatieve maat voor sterfte in een indexpopulatie (in dit geval de personen in het cohort) ten opzichte van een standaardpopulatie (in dit geval de Engelse bevolking, zoals gepubliceerd door het Engelse Bureau voor de Statistiek) gecorrigeerd voor leeftijdsgroepen en sekse. Het bleek dat de sterfte in het cohort bijna vier maal zo hoog was als in de algemene bevolking (SMR 3.6; 95%BI 2.6-4.9). Het verschil in sterfte door natuurlijke oorzaken was een stuk lager: SMR 1.7; 95%BI 1.0-2.7. Het grote verschil zit in de niet-natuurlijke doodsoorzaken: SMR 13.3; 95%BI 8.7-20.4. De niet-natuurlijke sterfte is bij personen met een psychotische stoornis dus 13 maal zo groot als in de algemene bevolking. De grootste oorzaak van niet-natuurlijke sterfte was suïcide. De belangrijkste risicofactor die met een verhoogd risico op eerder sterven (alle oorzaken) geassocieerd werd was drugsgebruik (adj. RR –adjusted Rate Ratio)- 2.31; 95%BI 1.06-5.03). Een belangrijke risicofactor op een eerdere natuurlijke dood was een langere tijd totdat de eerste remissie van symptomen optrad: adj. RR 6.61; 95%BI 1.33-3277). Er was ook een duidelijke associatie tussen betrokkenheid van de familie en een verminderd risico op een niet-natuurlijke dood: adj. RR 0.09, 95% BI 0.01-0.69). Reininghaus U, Dutta R, Dazzan P, Doody GA, Fearon P, Lappin J, Heslin M et al (2015). Mortality in schizophrenia and other psychoses: a 10-year follow-up of the ӔSOP first-episode cohort. Schizophrenia Bulletin 41 (3), 664-73. Trefwoord: Psychotische stoornissen

Niet-affectieve psychoses onder de 14 jaar komen zeer zeldzaam voor maar zijn meestal wel ernstig
De eerste psychoses, die in veel gevallen de voorbode van schizofrenie zijn, doen zich meestal voor in de latere tienerjaren tot midden twintig. Er is weinig bekend over niet-affectieve psychoses bij kinderen jonger dan 14 jaar. In deze Britse studie werd gepoogd de incidentie, symptoomprofielen, demografische kenmerken en korte termijn beloop op te sporen van alle bevestigde gevallen in één jaar tijd van niet-affectieve psychosen bij kinderen jonger dan 14 jaar in Groot-Brittannië (GB). De gevallen werden gevonden via het Child and Adolescent Psychiatric Surveillance System (CAPPS). De  behandelaars kregen een vragenlijst over de gevallen. In de periode september 2010 tot september 2011 bleven van de oorspronkelijk 28 potentiële gevallen 8 bevestigde gevallen over die voldeden aan de ICD-10 criteria voor schizofrenie en verwante stoornissen. Dit betekent dat de incidentie van niet-affectieve psychoses bij 10-14 jarigen in GB bedraagt: 0.21/100.000 (95%BI 0.08-0.24). Van deze acht gevallen waren er vijf vrouwelijk, zes waren Wit (Europees), één Zwart en één Aziatisch. Dit staat haaks op eerdere bevindingen over zeer vroege psychosen, waarbij naar voren kwam dat het vaker bij mannen en etnische minderheden zou voorkomen Bij vijf van de acht kwamen zeker psychiatrische problemen in de familie voor. Na een jaar was er slechts één in remissie, de rest had chronische symptomen. Wanen en denkstoornissen hebben meer voorspellende waarde voor ‘echte’ gevallen dan hallucinaties. Tiffin PA & Kitchen CE. (2015). Incidence and 12-month outcome of childhood non-affective psychoses: British national surveillance study. British Journal of Psychiatry 206 (6), 517-8. Trefwoord: Psychotische stoornissen

Vooral de opeenstapeling van verschillende jeugdtrauma’s doet het risico op psychoses enorm toenemen
Verschillende soorten jeugdtrauma’s vormen een risicofactor voor het ontstaan van psychoses. Er is veel onderzoek gedaan naar het verband tussen de volgende jeugdtrauma’s en psychoses: seksueel misbruik, emotionele mishandeling, fysieke mishandeling, verlies van ouder(s), echtscheiding, emotionele en fysieke verwaarlozing, gedeeltelijk opgroeien in pleeggezin of jeugdinstelling. Toch is het niet duidelijk of bepaalde jeugdtrauma’s eerder tot psychoses leiden dan andere. In dit Deense case-control onderzoek werd het effect van elk van de  specifieke jeugdtrauma’s onderzocht en werd er berekend of er sprake is van een dosis-response effect. De jeugdtrauma’s en de psychopathologie werden vergeleken tussen een groep die een eerste psychotische episode (EPE) had meegemaakt (n=110) ten opzichte van een controlegroep (n=110). De data werden verzameld met: de Childhood Trauma Questionnaire (CTQ), de Childhood Experience of Care and Abuse Questionnaire (CECAQ), het OPCRIT diagnostische systeem, de Positive and Negative Syndrome Scale (PANSS) en de Mini International Neuropsychiatric Interview (MINI). In de EPE-groep had 89% één of meerdere jeugdtrauma’s meegemaakt, tegenover 37% in de controlegroep. In de EPE-groep had 52% drie of meer jeugdtrauma’s meegemaakt tegenover 7% in de controlegroep. Jeugdtrauma’s kwamen 4 tot 17 keer vaker voor in de EPE-groep (alle p<0.01). Het risico op psychose werd bij elk extra jeugdtrauma 2,5 keer groter. Alle associaties tussen specifieke jeugdtrauma’s en psychose namen flink af als ze werden gecontroleerd voor alle andere jeugdtrauma’s. De auteurs komen tot de conclusie dat het erop lijkt dat het minder van belang is wélk jeugdtrauma iemand heeft ondergaan maar meer dát iemand een jeugdtrauma heeft meegemaakt en vooral hoeveel en hoelang de persoon jeugdtrauma’s heeft meegemaakt (dosis-response relatie). Trauelsen AM, Bendall S, Jansen JE, Nielsen HG, Pedersen MB, Trier CH, Haahr UH et al (2015). Childhood adversity specificity and dose-response effect in non-affective first-episode psychosis. Schizophrenia Research 165 (1), 52-9. Trefwoord: Psychotische stoornissen

Oorzaak van afname van psychoses in UHR-populatie kan liggen in verhoogd bewustzijn van UHR-symptomen bij hulpverleners en algemene bevolking waardoor er eerder verwezen wordt
In deze Australische studie wordt onderzocht of de steeds grotere afname van de overgang naar psychoses bij patiënten met een Ultra Hoog Risico op psychose (UHR) te maken kan hebben met een verandering in de verwijspatronen. De verwijzers en de verwijspatronen van een groot deel van de jongeren die tussen 2000 en 2004 naar de specialistische Personal Assessment and Crisis Evaluation (PACE) kliniek in Melbourne werden verwezen, werden vergeleken met soortgelijke data uit de periode 1995-1996 (n totaal=148). De verwijspatronen werden verkregen middels interviews met de patiënten. In de periode 2000-2004 was het gemiddeld aantal (hulpverlenings-)contacten voordat er naar de PACE werd verwezen1.93 en was de gemiddelde tijd tussen het begin van de symptomen en de verwijzing naar PACE 46,5 week. In het cohort uit 1995-1996 was het gemiddeld aantal contacten 2.36 en duurde het gemiddeld 85,8 weken voordat de verwijzing werd gedaan. De meeste verwijzingen kwamen in de periode 2000-2004 van het Jeugd Crisis Team en niet via de huisarts. Door een toenemende bekendheid met symptomen die kunnen wijzen op een beginnende psychose bij hulpverleners en de algemene bevolking is men er alerter op geworden en wordt er eerder naar de PACE verwezen. Hierdoor ontwikkelen UHR-patiënten wellicht minder vaak een psychose. Wiltink S, Velthorst E, Nelson B, McGorry PM & Yung AR. (2015. Declining transition rates to psychosis: the contribution of potential changes in referral pathways to an ultra-high-risk service. Early Intervention in Psychiatry 9 (3), 200-6. Trefwoord: Vroege Psychose

Eerste stap naar classifier waarmee op basis van bepaalde bloedwaardes kan worden voorspelt wie wel en wie niet een psychose ontwikkelt in een UHR-populatie
Preventieve interventies in verband met psychoses zouden effectiever kunnen worden als er een bloedtest zou bestaan die onderscheid kan maken binnen de groep patiënten met een Ultra Hoog Risico op psychose (UHR) tussen wie wel en wie niet daadwerkelijk een psychose zal ontwikkelen. Het is bekend dat personen met schizofrenie afwijkende bloedwaardes hebben op ontstekingen, oxidatieve stress, metabolisme en hormonen. In het kader van de North American Prodrome Longitudinal Study (NAPLS) is met behulp van een speciale algoritme een keuze gemaakt van 15 te analyseren stoffen waarvan verwacht wordt dat ze onderscheid maken tussen de bloedwaardes van de UHR-groep die wel psychose krijgt (UHR-P; n=32), de UHR-groep die geen psychose krijgt (UHR-NP; n=40) en een controlegroep (CG; n=35). Het gaat om stoffen die met het immuunsysteem en de hypothalamus-hypofyse-bijnier-as te maken hebben, zoals o.a. malondialdehydemodified low-density lipoproteïne, interleukin-1B, groei hormoon, KIT ligand, interleukin-8, interleukin-7en resistine. De uitslagen wijzen erop dat deze biomarkers een goede positieve predictieve waarde hebben: het bleek dat 72% van UHR groep die volgens de test echt een groot risico liep ook daadwerkelijk een psychose ontwikkelde (binnen 2 jaar). De biomarkers hebben ook een goede negatieve predictieve waarde: 84% van de personen die volgens de test weinig risico op psychose liepen, liepen ook echt weinig risico. Van de classifier (verzameling biomarkers) werd ook de area under the curve van de ROC-curves uitgerekend: die geven een goede indruk van predictieve validiteit van het diagnostisch instrument. De AUC van UHR-P versus UHR-NP was 0.88, de AUC van UHR-P versus CG was 0.91. De sensitiviteit en de specificiteit van deze classifier zijn goed. Er zullen meerdere bloedtesten in andere groepen afgenomen moet worden om dit verder te ontwikkelen. Dit heeft klinisch potentieel. Perkins DO, Jeffries CD, Addington J, Bearden CE, Cadenhead KS, Cannon TD, Cornblatt BA et al  (2015). Towards a psychosis risk blood diagnostic for persons experiencing high-risk symptoms: preliminary results from the NAPLS project. Schizophrenia Bulletin 41 (2), 419-28. Trefwoord: Vroege Psychose

Rond de eerste psychotische periode zijn er duidelijke afwijkingen van de normale ontwikkeling van de witte stof in de hersenen vastgesteld
In deze Amerikaanse review over de verbanden tussen veranderingen in de loop van het leven in de omvang en patronen van de witte stof in de hersenen en de ontwikkeling van psychotische stoornissen, wordt schizofrenie opgevat als zowel een stoornis in de neurologische ontwikkeling als een stoornis van de ‘verbindingen’. Witte stof is hersenweefsel dat bestaat uit dicht opgepakte, door wit myeline omgeven axonen, waarlangs signalen naar andere zenuwcellen gezonden worden. Uit vele Diffusion Tensor Imaging (DTI) studies is duidelijk geworden dat veranderingen in de witte stof ontwikkeling anders verloopt dan bij gezonde personen. Vooral tijdens de adolescentie is er een enorme toename van de voor snelle verbindingen in de hersenen noodzakelijke witte stof. Dat is net de periode waarin vaak de eerste psychose zich voordoet. Bij die groep wordt die normale ontwikkeling dus verstoord. Die veranderingen in witte stof in de adolescentie hebben invloed op de ontwikkeling van hogere cognitieve functies. De auteurs onderschrijven het vijf stadia model van schizofrenie van McGorry: stadium zonder symptomen, stadium met milde symptomen, stadium van de eerste volledige psychose, stadium van remissie en terugval en ten slotte het stadium waarin de stoornis ernstig en blijvend is. Er zijn ook duidelijke, parallelle stadia in de ontwikkelpatronen van de witte hersenstof waar te nemen. Chronische patiënten op leeftijd hebben waarschijnlijk veel meer te kort aan witte stof dan in de eerste periode. Latere veranderingen worden ook beïnvloed door neurotoxiciteit, abnormale leeftijdseffecten (o.a. hormonale veranderingen) en medicatie. Peters BD & Karlsgodt KH. (2015). White matter development in the early stages of psychosis. Schizophrenia Research 161 (1), 61-9. Trefwoord: Psychotische stoornissen

2014

Personen uit een UltraHoog Risico-groep die in hun jeugd seksueel getraumatiseerd zijn ontwikkelen twee tot vier maal zo vaak een psychose in vergelijking met degenen zonder seksueel trauma
Uit de literatuur komt naar voren dat mensen die een psychose hebben ontwikkeld of een risico op een psychose lopen vaak trauma’s in de kindertijd hebben beleefd. In deze Australische studie werd bij een cohort met een UltraHoog Risico (UHR) op psychose onderzocht of er een verband is tussen een jeugdtrauma en de overgang van de UHR-fase naar een psychotische stoornis. Het totale onderzochte UHR-cohort bedroeg 416 personen die tussen 1993 en 2006 door de Personal Assessment and Clinical Evaluation (PACE) kliniek in Melbourne behandeld zijn. Op baseline en bij follow-up (die in 2008 en 2009 plaatsvond) werden allerlei instrumenten afgenomen om de psychopathologie, het functioneren en ervaren trauma te meten. In deze studie werden data gebruikt die zijn verzameld met de Childhood Trauma Questionnaire (CTQ). De CTQ werd door 233 cliënten ingevuld. De CTQ heeft vijf subschalen: fysiek misbruik, seksueel misbruik, emtioneel misbruik, lichamelijke en emotionele verwaarlozing. De belangrijkste uitkomst was de overgang naar een psychotische stoornis. Die werd bepaald met de Comprehensive Assessment of At-Risk Mental States (CAARMS). Van degenen die de CTQ hadden ingevuld gaf 71% aan geen seksueel misbruik te hebben ervaren. Degenen die in lichte, matige of ernstige mate seksueel misbruik hadden ervaren, ontwikkelden twee tot vier zo vaak een psychose dan degenen die geen seksueel misbruik hadden ervaren. Voor de andere vormen van misbruik, zoals gemeten met de CTQ, werden er geen significante verbanden gevonden tussen ervaren misbruik en het ontwikkelen van een psychose. Thompson AD, Nelson B, Yuen HP, Lin A, Amminger GP, McGorry PD, Wood SJ & Yung AR (2014). Sexual Trauma Increases the Risk of Developing Psychosis in an Ultra High-Risk “Prodromal” Population. Schizophrenia Bulletin 40 (3): 697-706. Trefwoord: Vroege Psychose

Meta-analyse: cognitieve tekorten zijn al aanwezig tijdens de prodromale fasen van een psychose
Een van de karakteristieken van schizofrenie is het frequent voorkomen van cognitieve tekorten. Er zijn aanwijzingen dat die tekorten een onderdeel zijn van een abnormale neurologische ontwikkeling. Het is nog niet duidelijk of tijdens en na de ontwikkeling van een psychose de cognitieve prestaties afnemen. In deze meta-analyse (25 studies) werd het cognitieve functioneren op de lange termijn vergeleken tussen cliëntengroepen met een Eerste Psychotische Periode (EPP) (n=905), cliëntengroepen met een UltraHoog Risico op Psychose (UHR) (n=560) en gezonde controlegroepen (n=405). Alleen studies die een follow-up meting tussen de 1 en 5 jaar na baseline hadden uitgevoerd werden in de meta-analsye opgenomen. In de verschillende studies werden vele verschillende meetinstrumenten gebruikt om cognitieve functies te meten. Elk instrument werd ingedeeld bij een van de volgende domeinen: verbaal geheugen, visueel geheugen, executieve functies, spreekvaardigheid, aandacht, verbaal werkgeheugen en snelheid van informatieverwerking. Het bleek dat de algemene cognitiescores van alle drie de groepen (EPP, UHR en controles) in de loop van de tijd significant toenamen. De gemiddelde gewogen effectgrootte voor cognitieve veranderingen, uitgedrukt in Cohen’s d, was voor FEP 0.30, voor UHR 0.23 en voor Controles 0.38. Er zijn duidelijk geen aanwijzingen dat bij EEP- en UHR-populaties een verslechtering optreedt in de loop van de tijd. De cognitieve tekorten zijn al aanwezig voor de prodromale fasen van de psychose zich manifesteren. Dit ondersteunt het neuro-ontwikkelingsmodel ter verklaring van het ontstaan van schizofrenie. Bora E & Murray RM (2014). Meta-analysis of Cognitive Deficits in Ultra-high Risk to Psychosis and First-Episode Psychosis: Do the Cognitive Deficits Progress Over, or After, the Onset of Psychosis? Schizophrenia Bulletin 40 (4): 744-755. Trefwoord: Vroege Psychose

In de hersenen van personen met schizofrenie zijn de verbindingen tussen de amygdala en de orbitofrontale cortex significant minder dan bij personen met een groot risico op schizofrenie en gezonde controles
Veranderingen in hersencircuits waar amygdala (amandelkern) bij betrokken zijn worden vaak in verband gebracht met schizofrenie. Het is onbekend of er veranderingen in die circuits optreden in verschillende fasen van de ziekte. In deze Amerikaans-Chinese cross-sectionele studie werden hersenscans gemaakt van de verbondenheid van de amygdala met andere hersengebieden met behulp van resting-state functional connectivity magnetic resonance imaging (rs-fcMRI). Er werden vier groepen met elkaar vergeleken: gezonde personen (controlegroep) (n=96), personen met een hoog risico op schizofrenie (HR) (n=21), personen die in de vroege fase van schizofrenie zitten (EC-SCZ) (n=28) en personen met chronische schizofrenie (C-SCZ) (n=20). De belangrijkste conclusies zijn: 1. Schizofrenie wordt significant geassocieerd met verminderingen in de verbindingen tussen de amygdala en de orbitofrontale cortex. De effectgrootte ten opzichte van de controlegroep en de HR-groep was bij de EC-SCZ-groep Cohen’s d =1.0 en bij de  C-SCZ-groep  d = 0.97. De limbisch-prefrontale functie lijkt bij personen met schizofrenie sterk beperkt. 2. Ook werd aangetoond dat er een verband is tussen de ernst van de symptomen zoals gemeten met de Brief Psychiatric Rating Scale (BPRS) en een vermindering van de verbindingen. 3. Personen uit de HR-groep lieten ten opzichte van de controlegroep een sterkere verbinding tussen de amygdala en de hersenstam zien: Cohen’s d HR vs Controlegroep = 1.54. Bij hen is er meer actitiviteit in een hersencircuit dat betrokken is bij stress response. Anticevic A, Tang Y, Cho YT, Repovs G, Cole MW, Savic A, Wang F, Krystal JH & Xu K (2014). Amygdala Connectivity Differs Among Chronic, Early Course, and Individuals at Risk for Developing Schizophrenia. Schizophrenia Bulletin 40 (5): 1105-1116. Trefwoord: Vroege Psychose

In een Klinische HoogRisico (KHR) groep wordt de overgang naar een psychose het beste voorspeld door een slechte sociaal-persoonlijke aanpassing en de laagste P300 amplitudes
In het kader van een Europees project (EPOS) en de Dutch Prediction of Psychosis Study (DUPS) is met behulp van meetinstrumenten op de domeinen neuropsychologie, psychopathologie, neurofysiologie, sociaal functioneren, omgevingsfactoren en premorbide aanpassing aangetoond dat de transitie naar een psychose bij hoogrisicogroepen significant wordt geassocieerd met verminderde verbale informatieverwerking, toegenomen sociale anhedonie, wonen in een grote stad, slechte premorbide aanpassing en lage amplitude van de pariëtale P300 event-related potential (ERP). In deze Nederlandse studie werd bekeken welke predictoren het beste de overgang tot een psychose op individueel niveau voorspellen. Het betrof een groep met een Klinisch HoogRisico (KHR) op een psychose (n=61). De groep werd drie jaar gevolgd. De volgende instrumenten werden afgenomen: Structured Interview for Prodromal Syndromes; de Bonn Scale for the Assessment of Basic Symptoms Prediction list (BSABS-P), de Premorbid Adjustment Scale (PAS), de verbal fluency test en de P300 ERP. De P300 ERP is een afgeleide van het EEG en geeft een indicatie van de snelheid en kwaliteit van de informatieverwerking. De P300 is het gedeelte van de ERP dat rond 300 msec na aanbieding van een stimulus optreedt. De P300 wordt opgewekt door hoge en lage tonen aan te bieden. Van de PAS werden alleen de items ‘sociaal-seksuele aspecten van het leven tijdens de vroege adolescentie’ en ‘pre-morbide sociaal-persoonlijke aanpassing’ gebruikt. Na 3 jaar hadden 18 deelnemers (29,5%) een psychose gekregen. De belangrijkste voorspellende waarde hadden de premorbide PAS-scores (hazard ratio [HR] = 2.13) en de pariëtale P300 amplitudes (HR=1.27). De prognostische score (PS) had in het gehanteerde model een sensitiviteit van 88,9% en een specificiteit van 82,5%. Met behulp van de PS konden drie risicogroepen onderscheiden worden. In de groep met de slechtste PAS-scores en de laagste P300 amplitudes kreeg 74% een psychose. Nieman DH, Ruhrmann S, Dragt S, Soen F, Van Tricht MJ, Koelman JHTM, Bour LJ, Velthorst E, Becker HE, Weiser M, Linszen DH & De Haan L (2014). Psychosis Prediction: Stratification of Risk Estimation With Information-Processing and Premorbid Functioning Variables. Schizophrenia Bulletin 40 (6): 1482-1490. Trefwoord: Vroege Psychose

Bij adolescenten met een Eerste Psychotische Periode (EPP) leidt een langere Duur van een Onbehandelde Psychose (DOP) tot slechtere functionele en klinische uitkomsten 
Uit studies onder volwassenen die een Eerste Psychotische Periode (EPP) hebben meegemaakt is bekend dat er een verband is tussen een langere Duur van een Onbehandelde Psychose (DOP) en slechtere klinische en sociale uitkomsten. In deze Spaanse studie werd bij een groep waarbij de EPP zich vóór het 18de levensjaar heeft voorgedaan (N=80) onderzocht of dat verband er ook voor adolescenten is. Op baseline en na twee jaar werden functionele en klinische evaluaties uitgevoerd. Voor de functionele beoordeling werd de Children’s Global Assessement of Functioning (C-GAF) gebruikt. Premorbide sociale aanpassing werd gemeten met de Premorbid Adjustment Scale (PAS). De ernst van de symptomen werd gemeten met de Positive and Negative Syndrome Scale (PANNS). Ook werd het gebruik van antipsychotica geïnventariseerd en werd de Wechsler Intelligence Scale for Children afgenomen. Na twee jaar onderscheidde men drie diagnostische groepen: schizofrenie (n=47), affectieve psychose (n=22) en andere psychoses (n=11). De invloed van de DOP op de uitkomsten werd bepaald door multivariabele regressie modellen. Het bleek dat de DOP de enige variable was met een significant verband ten opzichte van de C-GAF score na twee jaar (β=-0.13). Alleen DOP en premorbide aanpassing hadden een significant verband met veranderingen in de C-GAF scores (respectievelijk β=-0.01 en β=-0.09). Ook voor adolescenten is er dus een duidelijke associatie tussen een langere DOP en slechte functionele en klinische uitkomsten. Een langere DOP voorspelde zowel een lagere C-GAF score na twee jaar als minder toename in de C-GAF scores in de follow-up periode. Een vroege opsporing van psychoses kan de DOP verkorten en het beloop van de ziekte gunstig beïnvloeden. Fraguas D, Del Rey-Mejías A, Moreno C, Castro-Fornieles J, Graell M, Otero S, Gonzalez-Pinto A, Moreno D, Baeza I, Martínez-Cengotitabengoa M, Arango C & Parellada M (2014). Duration of untreated psychosis predicts functional and clinical outcome in children and adolescents with first-episode psychosis: A 2-year longitudinal study. Schizophrenia Research 152 (1): 130-138. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Het risico dat de symptomen terugkomen nadat gestopt is met antipsychotische medicatie is heel groot bij groepen die een Eerste Psychotische Periode (EPP) hebben doorgemaakt
De meeste mensen die een eerste (acute) episode van schizofrenie (EPP) hebben meegemaakt ervaren een afname van de symptomen binnen een jaar nadat de behandeling is begonnen. Het is niet duidelijk hoe lang met de antipsychotische medicatie moet worden doorgegaan. Uit een meta-analyse uit 2012 van Leucht et al.  kwam naar voren dat gemiddeld 65% van de patiënten die met medicatie waren gestopt binnen één jaar weer terugvielen. Van degenen die medicatie waren blijven gebruiken kreeg 27% weer psychotische symptomen. Omdat volgens de Canadese auteurs van dit artikel aan de studies uit die meta-analyse veel methodologische haken en ogen zitten, hebben ze een systematische review uitgevoerd om te bepalen wat het risico is op het terugkomen van psychotische symptomen als er met medicatie wordt gestopt. Er werden alleen studies meegenomen die aan de volgende criteria voldeden: a. alleen personen die een eerste niet-affectieve psychose hadden doorgemaakt; b. de onderzochte groep moest een remissie van symptomen van minimaal zes maanden hebben doorgemaakt voordat met de medicatie werd gestopt; c. minimaal zes maanden na het stoppen met medicatie moet gemeten zijn of de symptomen waren teruggekomen of dat er een volledige terugval was. Er bleken slechts zes studies aan alle eisen te voldoen. In de meta-analyse van Leucht waren 65 studies meegenomen. De belangrijkste uitkomst van deze systematische review is dat binnen één jaar nadat er met medicatie werd gestopt tussen de 57% en 91% van de patiënten weer (psychotische) symptomen kreeg: het gewogen eenjaars gemiddelde van de mate van terugval bedraagt 77%. Na twee jaar was dit opgelopen tot 90%. Het gewogen gemiddelde van de terugval bij de patiënten die medicatie waren blijven gebruiken was 3%. Ondanks de bijwerkingen van antipsychotica, kan het afbouwen van deze medicatie niet worden aanbevolen, aldus de auteurs. Zipursky RB, Menezes NM & Streiner DL (2014). Risk of symptom recurrence with medication discontinuation in first-episode psychosis: A systematic review. Schizophrenia Research 152 (2-3): 408-414. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Bij cliënten met risico op psychose wordt overgang naar psychose beter voorspeld door combinatie van symptomatische UHR-criteria én zelf-rapportage van cognitieve stoornissen dan door één van beide metingen apart
Hoewel cognitieve tekorten als een belangrijk kenmerk van schizofrenie worden beschouwd, wordt deze dimensie niet meegenomen in de UltraHoge Risico (UHR)-criteria van de SIPS. De Structured Interview of Prodromal Syndromes (SIPS) meet Attentuated Psychotic Symptoms (APS) en Brief Intermittent Psychotic Symptoms (BLIPS). De cognitieve tekorten en verstoringen kunnen in kaart worden gebracht met het zelfgerapporteerde basissymptoomcriterium Cognitive Disturbances (COGDIS) van het Schizophrenia Proneness Instrument, Adult version (SPI-A). In deze Duitse naturalistische 4-jaars follow-up studie werd de overgang naar een Eerste Psychotische Periode (EPP) onderzocht bij 246 patiënten die behandeld werden door het Keulse Früherkennungs- und Therapiezentrum für psychische Krisen (FETZ), waarbij de associatie tussen zo’n overgang en het gecomineerde en aparte gebruik van UHR-criteria en COGDIS-criteria met elkaar vergeleken werden. Binnen 4 jaar na het eerste contact met de FETZ kregen 81 patiënten (32,8%) een EPP. Van alle patiënten voldeed 78,9% op baseline aan een risicocriterium (òf alleen UHR-criterium, òf alleen COGDIS criterium òf een combinatie van beide). Van de personen die minstens één risicocriterium hadden was de gemiddelde tijd tot de overgang naar een psychose 34,3 maanden. Om de cumulatieve Hazard Rate (HR) te berekenen werd een Kaplan-Meier survival analyse uitgevoerd. Het bleek dat de patiënten die zowel aan een UHR- als aan een COGDIS-criterium voldeden (n=127) significant een hoger risico liepen om psychotisch te worden (HR=0.66, na 48 maanden) en sneller de overgang doormaakten dan patiënten die alleen aan een UHR-criterium (n=37; HR=0.28) of alleen aan een COGDIS-criterium (n=30; HR=0.23) voldeden. Het meten van zowel symptomatische UHR-criteria als COGDIS-criteria om het risico op psychose op te sporen verhoogt de sensitiviteit om personen op te sporen die echt risico lopen. Schultze-Lutter F, Klosterkötter J & Ruhrmann S (2014). Improving the clinical prediction of psychosis by combining ultra-high risk criteria and cognitive basic symptoms. Schizophrenia Research 154 (1-3): 100-106. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Bij personen die een Eerste Psychotische Periode (EPP) hebben doorgemaakt komt suïcide het vaakst voor bij de groep met Pychotische Depressie
Patiënten met een Eerste Psychotische Periode (EPP) lopen meer risico suïcide te plegen, vooral in de eerste fase van de psychotische stoornis. In deze nationale cohort studie van patiënten die tussen 1973 en 1978 in Zweden geboren zijn en tussen hun 15e en 30ste waren opgenomen met een EPP (n=2819), werd onderzocht hoeveel personen met EPP suïcide pleegden en wat de relatieve invloed van een aantal risicofactoren was. Er werd gebruik gemaakt van een aantal Zweedse bevolkingsregistraties: het medische geboorteregister, het nationale patiëntenregister, het doodsoorzakenregister, het register van veroordelingen, het Zweeds register van kinderen en jeugdigen, het overzicht van inkomens en het nationale schoolregister. De risicofactoren voor suïcide werden in 5 categorieën verdeeld: psychiatrische factoren, familiale factoren, sociale factoren, premorbide intellectueel functioneren en andere factoren. In totaal kwamen 121 EPP-patiënten door suïcide om het leven in de onderzochte periode (tot eind 2008). Per 1000 persoonsjaren was de Incidence Rate Ratio (IRR) op suïcide: 4,3 (95%BI: 3.5–5.0). Het grootste aantal suïcides kwam voor bij de diagnostische groepen Psychotische Depressie (IRR=7.8 per 1000 persoonsjaren) en Waanstoornis (Delusional Disorder): IRR=6.9 per 1000 persoonsjaren. De belangrijkste risicofactoren op suïcide zijn: eerder in het ziekenhuis opgenomen zijn geweest wegens zelfbeschadiging (IRR=2.7), een familielid in de eerste lijn met schizofrenie of bipolaire stoornis hebben (IRR=2.1), veroordeeld zijn voor het plegen een gewelddadige misdaad (IRR=2.0) en een middelenverslaving hebben (IRR=2.0). Gemeenschappelijk bij de meeste van deze risicofactoren is een grote mate van impulsiviteit, wat ook geassocieerd wordt met het risico op suïcide. Björkenstam C, Björkenstam E, Hjern A, Bodén, R & Reutfors J (2014). Suicide in first episode psychosis: A nationwide cohort study. Schizophrenia Research 157 (1-3): 1-7.Trefwoord: Psychotische aandoeningen

In Ierland daalt een groot deel (43%) van de mensen die een Eerste Psychotische Periode (EPP) heeft doorgemaakt op de maatschappelijke ladder
Omdat psychotische stoornissen worden geassocieerd met problemen bij het vinden van werk, is het waarschijnlijk dat de meesten die daaraan lijden niet in dezelfde sociale klasse als hun ouders zullen blijven. Het doel van deze Ierse studie was om bij twee cohorten van mensen die in een bepaald gebied in een bepaalde periode (van 1995-1999 en van 2005-2011) behandeld waren voor een EPP (n=330) te bekijken in hoeverre de verdeling over de zes sociale klassen, zoals die door het Ierse bureau voor de statistiek wordt gehanteerd, van die personen afwijkt van de algemene verdeling en om te kijken welke sociale mobiliteit met EPP wordt geassocieerd. De gehanteerde sociale stratificatie is op basis van beroepen. Diagnoses werden vastgesteld met de  Structured Clinical Interview for DSM IV (SCID) en klinische evaluaties werden gedaan met o.a. de Calgary Depression Scale for Schizophrenia (CDSS), Beck Hopelessness Scale (BHS) en de Suicidal Intent Scale (SIS). De sociale klasse bij geboorte werd bepaald door het beroep van de vader op de geboorteakte. Het bleek dat van de algemene bevolking 23,9% in de drie laagste sociale klassen zit, tegenover 46,4% van de personen met een EPP. Van de EPP-groep bleek op het moment dat de EPP zich voordeed, 42,7% ervan was gezakt op de maatschappelijke ladder, 32,1% was in dezelfde sociale klasse gebleven en 25,2% was in een hogere sociale klasse terecht gekomen. De personen die in een lagere sociale klasse terecht waren gekomen hadden vaker een niet-affectieve stoornis en/of comorbide cannabisafhankelijkheid en/of een Duur van een Onbehandelde Psychose (DOP) van langer dan vier maanden. Opmerkelijk was dat degenen die in hun sociale klasse bleven of naar een hogere klasse stegen een groter risico liepen zich hopeloos te voelen. O’Donoghue B, Lyne JP, Fanning F, Kinsella A, Lane A, Turner N, O’Callaghan E & Clarke M (2014). Social class mobility in first episode psychosis and the association with depression, hopelessness and suicidality. Schizophrenia Research 157 (1-3): 8-11. Trefwoord: Vroege Psychose

De introductie van VIP-teams leidt in Engeland tot een afname van de Duur van een Onbehandelde Psychose (DOP)
In Engeland werd al in 2000 besloten dat elke regio een Vroege Interventie Psychose (VIP)-team moet krijgen. Een belangrijk doel van dit beleid is dat de DOP maximaal 6 maanden mag duren. De VIP-teams zijn niet overal op dezelfde tijd tot stand gekomen. De UK National evaluation of the development and impact of early intervention services (National EDEN) verzamelt data over de VIP-teams en bestudeert o.a. of de DOP afneemt. In een studie uit 2011 werd beweerd dat de introductie van VIP-teams op zich niet tot een afname van de DOP leidt. Dit onderzoek is daar een reactie op. Er werden data uit de EDEN-studie gebruikt om te kijken of na de oprichting van een VIP-team sneller wordt behandeld dan ervoor. De DOP’s van naar VIP-teams verwezen cliënten (n=986) werden verzameld bij 7 bestaande VIP-teams (opgericht tussen 1995-2005) en 7 nieuwe VIP-teams (opgericht tussen 2005-2007) en werden voor vier opeenvolgende jaren met elkaar vergeleken. Het bleek dat de mediane DOP voor bestaande VIP-teams 77 dagen was en voor nieuwe VIP-teams 89 dagen, voor beide dus minder dan 3 maanden. Bij nieuwe VIP-teams was er een significante jaarlijke neerwaartse trend voor de DOP (F1,549 =8.4, p=0.004). Dat gold niet voor de bestaande VIP-teams: F1,429=1.7, p=0.19). Bij de nieuwe VIP-teams was in de eerste jaren een significante trend waar te nemen dat het deel van de cliënten dat binnen de 6 maanden behandeld werd toenam. Dat gold niet voor de bestaande VIP-teams. Na een aantal jaren stabiliseren de DOP’s op een bepaald niveau. Duidelijk is wel dat als gevolg van de invoering van VIP-teams personen met een Eerste Psychotische Periode (EPP) sneller en beter behandeld worden dan daarvoor. Marshall M, Husain N, Bork N, Chaudhry IB, Lester H, Everard L, Singh SP, Freemantle N,  Sharma V, Jones PB, Fowler D, Amos T, Tomenson B & Birchwood M (2014). Impact of early intervention services on duration of untreated psychosis: Data from the National EDEN prospective cohort study. Schizophrenia Research 159 (1): 1-6. Trefwoord: Vroege Psychose

In Australië blijkt 31% van de personen met een psychotische stoornis als kind te zijn mishandeld
Uit de literatuur komt naar voren dat er een verband zou kunnen zijn tussen kindermishandeling en ernstige psychische problemen, waaronder psychotische stoornissen. Bij de meeste studies gaat het om kleine aantallen. In deze studie is gebruik gemaakt van data van de 2010 Australian National Survey of Psychosis. Hierbij werd op de eerste plaats in een gebied waarin ongeveer 10% van de Australische bevolking woont bij iedereen die zich bij de hulpverlening meldde een speciale psychose screener afgenomen. Daarna werd van iedereen die hierop positief voor psychose had gescoord een representatieve steekproef genomen (n=1825). Deze 1825 personen werden geïnterviewd en de volgende zaken werden vastgesteld: psychopathologie volgens ICD-10, middelengebruik, fysieke gezondheid, functioneren (met de Multidimensional Scale of Independent Functioning) en classificatie van eventuele kindermishandeling in vier typen: seksueel misbruik, lichamelijke mishandeling, emotionele mishandeling of verwaarlozing. Het bleek dat 30,6% van de respondenten mishandeld of misbruikt was voordat de psychotische stoornis zich manifesteerde. Vrouwen waren bijna drie keer zo vaak mishandeld of misbruikt dan mannen (OR=2.8). In de algemene Australische bevolking is de geschatte prevalentie van seksueel misbruik en mishandeling in de kindertijd 15.5%. Er bleek geen significant verband te zijn tussen kindermishandeling en het type psychose (affectief of niet-affectief), het beloop van de stoornis, de leeftijd van de eerste psychose of middelenmisbruik. Er was wel een significant verband tussen slachtoffer te zijn geweest van kindermishandeling en het hebben van een subjectieve denkstoornis, meer suïcide pogingen te hebben gedaan, slecht premorbide sociaal functioneren en het hebben van een premorbide persoonlijkheidsstoornis (bij vrouwen) en een angststoornis (bij mannen). Behandelaars zouden altijd naar kindermishandeling moeten vragen bij personen met een psychotische stoornis. Shah S, Mackinnon A, Galletly C, Carr V, McGrath JJ, Stain HJ, Castle D, Harvey C, Sweeney S & Morgan VA (2014). Prevalence and impact of childhood abuse in people with a psychotic illness. Data from the second Australian national survey of psychosis. Schizophrenia Research 159 (1): 20-26.Trefwoord: Psychotische aandoeningen

In de hersenen van personen met een beginnende schizofrenie zijn zowel de structurele als de functionele verbindingen minder sterk dan bij een controlegroep en dat verergert in de loop der tijd
In deze Chinese studie werden door middel van Diffusion Tensor Imaging (DTI) en fMRI de structurele verbindingen en de functionele verbindingen in beeld gebracht van de hersenen van een groep personen die in de laatste drie jaar schizofenie (n=28) had gekregen en die beelden werd vergeleken met die van de hersenen van een gezonde controlegroep (n=26). De schizofeniepatiënten hadden nog geen of nog maar zeer kort antipsychotica gebruikt. Via DTI kan de fractionele anisotropie (FA) gemeten worden. Hierbij wordt de mate van diffusie van watermoluculen in de witte stof van de hersenen gemeten. Het bleek dat de FA-waarden bij de schizofreniepatiënten significant lager waren dan bij de controlegroep, met name in de hersengebieden corpus callosum (hersenbalk) en corona radiata. De hersenbalk speelt een belangrijke rol bij het integreren van gecompliceerde informatie. De corana radiata is belangrijk in de vorming van de representaties. Dit zegt iets over de structurele verbindingen. Via fMRI werden de functionele verbindingen gemeten in vier knooppunten van het Default Mode Network (DMN). Het DMN is het ‘terugvalnetwerk’ van de hersenen, dat zijn de verbindingen die actief zijn in de rusttoestand. Het DMN is gerelateerd met innerlijke activiteit en cognitieve controle. In vergelijking met de uitslagen van de controlegroep bleek dat de functionele verbindingen tussen de cortex singularis posterior (PCC) en het bilaterale temperopartiëtaal knooppunt (TJP) significant minder waren bij de schizofreniepatiënten. Bij patiënten die al langer aan schizofrenie leden bleek dat het linker deel van de TJP geleidelijk een zwakkere functionele verbinding kreeg met de PCC en de mediale prefrontale hersenschors (cortex) in het DMN-gebied. Bij vroege schizofreniepatiënten zijn de structurele en functionele netwerken in de hersenen al beschadigd en deze beschadigingen worden erger naar verloop van tijd. Zhang F, Qiu L, Yuan L, Ma H, Ye R, Yu F, Hu P, Dong Y & Wang K (2014). Evidence for progressive brain abnormalities in early schizophrenia: A cross-sectional structural and functional connectivity study. Schizophrenia Research 159 (1): 31-35. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Bij personen met een Eerste Psychotische Periode (EPP) blijkt de hersenschors dunner en de nucleus caudatus kleiner dan bij de controlegroep, maar dat lijkt geen invloed te hebben op klinische uitkomsten
Uit onderzoek is naar voren gekomen dat mensen die een Eerste Psychotische Periode (EPP) doormaken afwijkende hersenvolumes kunnen hebben. Door moderne, geavanceerde neuroimaging technieken kunnen morfometrische afwijkingen, zoals de dikte van de cortex en hersenwindingen, beter in kaart worden gebracht. In deze Ierse studie werd onderzocht in hoeverre personen met EPP (n=46) afwijkende subcorticale structuren hebben ten opzichte van een gezonde controlegroep (n=46) én of er een verband is tussen die eventuele afwijkingen en klinische uitkomsten na 3 jaar. Van alle deelnemers werden MRI hersenscans gemaakt met de 1.5 Tesla Siemens Magnetom Symphony scanner. De dikte van de hersenschors en de hersenwindingen werden met behulp van FreeSurfer software onderzocht. Diagnoses werden vastgesteld met de Structured Clinical Interview for DSM-IV-TR Research Version. De Duur van de Onbehandelde Psychose (DOP) werd vastgesteld. Het functioneren werd op baseline en na 3 jaar gemeten met de Positive and Negative Syndrome Scale (PANNS) en de Global Assessment of Functioning score (GAF). Het bleek dat de hersenschors van personen met EPP significant dunner was dan bij de controlegroep. Dat was met name het geval in de rechter gyrus temporalis superior (bovenste slaapwinding) in de temporale kwab. Die verdunning breidde zich vaak uit tot de gyrus temporalis medius in de laterale temporale kwab. Daarnaast was het volume van de nucleus caudatus (staartkern) bij de EPP-groep significant kleiner dan bij de controlegroep. De nucleus caudatus heeft een belangrijke functie bij het leren en herinneren. Er werden geen verschillen tussen beide groepen gevonden met betrekking tot de hippocampus en de laterale ventrikels (hersenholtes). Tegen de verwachting in werden er geen verbanden gevonden tussen de geconstateerde hersenafwijkingen en het klinische functioneren na 3 jaar. Scanlon C, Anderson-Schmidt H, Kilmartin L, McInerney S, Kenney J, McFarland J, Waldron M, Ambati S, Fullard A, Logan S, Hallahan B, Barker GJ, Elliott MA, McCarthy P, Cannon DM & McDonald C (2014). Cortical thinning and caudate abnormalities in first episode psychosis and their association with clinical outcome Schizophrenia Research 159 (1): 36-42. Trefwoord: Vroege Psychose

Uit meta-analyse blijkt dat ook personen met een Eerste Psychotische Periode (EPP) significant slechter gezichtsuitdrukkingen herkennen
Het goed kunnen herkennen van de zes “basisemoties” via gezichtuitdrukkingen is belangrijk voor het sociale functioneren. De zes basisemoties zijn: angst, vreugde, woede, verdriet, verbazing en afschuw. Bij mensen met chronische schizofrenie is vastgesteld dat ze moeite hebben emotionele informatie uit gezichtsuitdrukkingen af te leiden. Voor personen met een vroege psychose (< 18 jaar) of een eerste psychose ( > 18 jaar) is hierover nog weinig onderzoek gedaan. In deze Australische systematische review met meta-analyse was het doel om vast te stellen of gebreken in het goed kunnen herkennen van gezichtuitdrukkingen reeds aanwezig zijn bij personen met een vroege of een eerste psychose. De analyse werd gedaan volgens de Preferred Reporting Items for Systematic Reviews and Meta-Analyses (PRISMA). Er bleken slechts 12 studies aan de inclusiecriteria te voldoen, in totaal met 406 patiënten en 441 gezonde controles. Alle studies op één na waren cross-sectioneel. Het bleek dat patiënten in de vroege stadia van de stoornis significant slechter waren in het herkennen van emotionele gezichtsuitdrukkingen dan gezonde controles: de algemene gemiddelde effectgrootte was Cohen’s d = -0.88 (N=378, 95% BI=-1.42 tot -0.32). In elke studie was het gemiddelde van de patiëntengroep lager dan dat van de controlegroep. Sommige emoties waren voor de patiënten moeilijker te herkennen dan andere: het grootste gebrek gold voor afschuw, angst en verbazing; een matige gebrek gold voor verdriet en vreugde. Tussen de groepen waren er geen verschillen met betrekking tot het herkennen van boosheid en een neutrale uitdrukking. Reeds in dit vroege stadium van de stoornis blijkt het gebrek in het herkennen van emoties even groot als bij personen met chronische schizofrenie. Barkl SJ, Lah S, Harris AWF & Williams LM (2014). Facial emotion identification in early-onset and first-episode psychosis: A systematic review with meta-analysis. Schizophrenia Research 159 (1): 62-69. Trefwoord: Vroege Psychose

Systematische review: blijvende functionele handicaps bij mensen met een At-Risk Mental State (ARMS) worden voorspeld door negatieve symptomen, desorganisatie en neurocognitieve gebreken
Mensen die kwetsbaar zijn om een psychose te ontwikkelen worden vaak beschreven met   begrippen als UltraHoog Risico (UHR) of At-Risk Mental State (ARMS). Het wordt steeds duidelijker dat mensen met ARMS slecht blijven functioneren ongeacht of ze al dan niet een psychose ontwikkelen. In deze Britse systematische review werd onderzocht welke specifieke factoren worden geassocieerd met of voorspellend zijn voor de functionele handicaps bij mensen met ARMS. Functioneren werd opgevat als uitkomsten van meetinstrumenten die de frequentie van, de kwaliteit van en/of de satisfactie met sociale, academische en werkgerelateerde activiteiten in kaart brengen. In de geïncludeerde 72 observationele- of interventie-studies werd vaak gebruik gemaakt van de Global Assessment of Functioning (GAF) en de Social and Occupational Functioning Assessment Scale (SOFAS). Uit de cross-sectionele studies komt een duidelijke associatie naar voren tussen negatieve symptomen en/of neurocognitieve beschadiging en het slecht blijven functioneren. Uit de longitudinale studies hebben de volgende factoren een voorspellende waarde op het slechte functioneren: negatieve symptomen, desorganisatie en neurocognitieve gebreken. Uit de interventiestudies bleek dat noch psychofarmaca noch cognitieve gedragstherapie zichtbare effecten hadden op het (sociale) functioneren. Een betere sociale cognitie hield significant verband met beter sociaal functioneren. De ARMS-patiënten vormen geen homogene groep: slechts een minderheid ontwikkelt een psychotische stoornis. Afgezwakte psychotische symptomen kunnen verschillende ontstaansgronden hebben. Negatieve symptomen, desorganisatie en cognitieve gebreken manifesteren zich al voordat de positieve symptomen zich voordoen. Cotter J, Drake RJ, Bucci S, Firth J, Edge D & Yung AR (2014). What drives poor functioning in the at-risk mental state? A systematic review. Schizophrenia Research 159 (2-3): 267-277.  Trefwoord: Vroege Psychose

Vier symptoomgroepen die overeen kunnen komen met UHR-symptomen verklaren voor een deel dat niet iedereen met een psychoserisico daadwerkelijk psychotisch wordt
Sinds 20 jaar geleden Vroege Psychose behandeling werd ingevoerd blijken steeds minder mensen die door VIP-teams behandeld worden daadwerkelijk een psychose te ontwikkelen. In plaats van met UltraHoog Risico (UHR) op psychose wordt deze populatie steeds vaker aangeduid met Attentuated Psychosis Syndrome (APS) of Afgezwakt Psychose Syndroom. De auteurs van deze Zwitserse studie beweren dat, om elk risico uit te sluiten, een veel breder diagnostisch spectrum dan vroeger door de VIP-teams wordt behandeld. APS kan tot een echte psychose leiden, maar ook een fenotypische uitdrukking zijn van een andere onderliggende psychische stoornis. Vier symptoomgroepen of klinische kenmerken die vaak bij de APS-populatie worden gezien, maar die ook bij andere psychische stoornissen voorkomen, worden in dit artikel kritisch besproken: 1. Geïsoleerde hallucinaties; 2. Ongebruikelijke lichamelijke gewaarwordingen, hypochondrische angsten en coenesthesiopatische psychotische symptomen (d.w.z. eigenaardige stoornissen van het lichaamsgevoel); 3. Depersonalisatie; 4. Obsessief-compulsieve ideeën en waandenkbeelden. Van de 616 patiënten die ooit in de Bruderholz Vroege Psychose kliniek opgenomen zijn geweest bleken er 218 aan de UHR-criteria volgens het Structured Interview for Prodromal Syndromes (SIPS) te voldoen. Van de UHR-groep bleek 86.2% aan één van de vier hierboven genoemde symptoomgroepen te lijden. Bij de klinische beoordeling moet ook de Gestalt van deze symptoomgroepen meegenomen worden. Dan kan er een specifiekere diagnose gesteld en meer op maat gesneden hulp geboden worden. Simon AE, Umbricht D, Lang UE & Borgwardt S (2014). Declining transition rates to psychosis: The role of diagnostic spectra and symptom overlaps in individuals with attenuated psychosis syndrome. Schizophrenia Research 159 (2-3): 292-298. Trefwoord: Vroege Psychose

Cognitieve Remediatie Therapie (CRT) leidt bij mensen met een vroege psychose tot grotere verbeteringen van cognitieve functies en sociale competenties dan bij mensen met chronische schizofrenie
Mensen met schizofrenie hebben vaak al stoornissen in het dagelijks functioneren voordat psychotische symptomen zich voordoen. Functioneel herstel wordt geassocieerd met neurocognitieve stoornissen, zowel in het begin van de ziekte als later. Cognitieve Remediatie Therapie (CRT) is ontwikkeld om de cognitieve processsen die belangrijk zijn voor een productief dagelijks functioneren te verbeteren. Deze Amerikaanse studie is een secundaire analyse van een grote, oudere studie waarbij de effecten van CRT op een groep patiënten die de afgelopen 5 jaar een psychose had gekregen (n=12) werden vergeleken met die op een groep die al langer dan 15 jaar een psychotische stoornis had (n=27). Er werden data verzameld over: 1. Cognitie: de Brief Assessment of Cognition in Schizophrenia meet o.a. psychomotorische snelheid, informatieverwerking, werkgeheugen en executieve functies; 2. Klinische symptomen werden gemeten met de PANSS; 3. Sociale competenties werden o.a. gemeten met de Social Skills Performance  Assessment; 4. Geobserveerd gedrag in het ‘echte’ leven van de patiënt werd vastgelegd door case managers met de Specific Levels of Functioning (SLOF). De CRT-interventie duurde 12 weken en bestond naast computeroefeningen uit begeleiding door therapeuten met als doel het leren toepassen van de cognitieve vaardigheden in het dagelijks leven. Het bleek dat beide groepen samen na de CRT-interventie significant beter scoorden op werkgeheugen en executieve functies, terwijl er ook verbeteringen waren voor de psychomotorische snelheid en informatieverwerking. Ten opzichte van de chronsiche groep waren de effecten van de CRT voor de vroege psychose groep significant groter voor: psychomotorische snelheid (F=6.2), executieve functies (F=7.5), informatieverwerking (F=4.1) en werkgerelateerde vaardigheden (F=5.7). Hoe eerder CRT werd aangeboden des te groter de verbeteringen in het neurocognitief functioneren waren. Bowie CR, Grossman M, Gupta M, Oyewumi LK & Harvey PD (2014). Cognitive remediation in schizophrenia: efficacy and effectiveness in patients with early versus long-term course of illness. Early Intervention in Psychiatry 8 (1): 32–38. Trefwoord: Vroege Psychose

Toevoeging van IPS-arbeidsdeskundige aan VIP-team verhoogt kansen op betaald werk of opleiding voor jonge mensen met een psychose
Ondanks het brede aanbod van Vroege Psychose hulpverlening (VIP) in het Verenigd Koninkrijk (en elders) vinden veel jonge mensen met een psychose het moeilijk om werk te vinden of om hun opleiding af te maken (waardoor ze niet aantrekkelijk zijn op de arbeidsmarkt). De Individuele Plaatsing en Steun (IPS) interventie is effectief in het aan regulier betaald werk helpen van mensen met een ernstige psychiatrische stoornis. In deze Britse naturalistische vergelijkingsstudie werd onderzocht wat het effect is van het voor één jaar toevoegen van een IPS-arbeidsdeskundige aan een VIP-team. Van twee VIP-regio’s (leeftijd van cliënten van 14 tot 35 jaar) in Noord-Oost Engeland werd de arbeidssituatie (of deelname aan scholing) van hun cliënten geïnventariseerd 6 en 1 maand(en) voordat aan één team een IPS-arbeidsdeskundige werd toegevoegd. Die situatie werd ook weer gemeten op het moment dat de arbeidsdeskundige stopte én 6 maanden daarna. Op baseline was in beide regio’s 75% van de cliënten werkloos en volgde rond de 10% een opleiding. Dit zijn slechtere cijfers dan gemiddeld in geheel Engeland, waar 45% van de VIP-cliënten werk heeft of een opleiding volgt. Na een jaar waren de cijfers voor de regio waar de arbeidsdeskundige was toegevoegd significant verbeterd: ‘slechts’ 62% was werkloos en 17% volgde een voltijds opleiding. In de andere regio was er niets veranderd. Zes maanden nadat de IPS-interventie was gestopt waren de werkloosheids- en opleidingscijfers weer teruggevallen tot het niveau van voor de interventie. De kans dat een cliënt die behandeld wordt door een team met een IPS-arbeidsdeskundige zinvolle activiteiten verricht (werk, opleiding of training) is twee keer zo groot als voor een cliënt in een team zonder arbeidsdeskundige (OR=2.1). Dudley R, Nicholson M, Stott P & Spoors G (2014). Improving vocational outcomes of service users in an Early Intervention in Psychosis service. Early Intervention in Psychiatry 8 (1): 98–102. Trefwoord: Vroege Psychose

Systematische review: e-mental health interventies die zelfmanagement bij personen met een psychotische stoornis bevorderen zijn bruikbaar en effectief
In deze Nederlandse systematische review (28 studies voldeden aan inclusiecriteria) werd onderzocht wat voor soort door ICT-technologie ondersteunde interventies er zijn ontwikkeld om zelfmanagement bij mensen met een psychotische stoornis te ondersteunen, wat de effecten van die interventies zijn en in hoeverre de cliënten bij de ontwikkeling van deze interventies zijn betrokken. Zelfmanagement wordt opgevat als het vermogen van cliënten om de regie te blijven voeren over hun behandeling en leven, vaak in overleg hulpverleners. In deze review werden 14 RTC’s en 14 haalbaarheidsstudies meegenomen. Voor de effectgroottes werden zo mogelijk de standardized mean differences uitgedrukt in Hedges’ g uitgerekend. Er werden 7 studies gevonden waarbij nieuw ontwikkelde e-mental health interventies voor psychoeducatie werden vergeleken met Care-As-Usual (CAU): het effect was gering: Hedges’ g=.37. Er werden vier studies gevonden die e-health hulpmiddelen hadden ontwikkeld om de medicatietrouw te vergroten: deze bleken zeer effectief: Hedges’ g=.92. Zes studies beschreven de effecten van e-health interventies gericht op het verbeteren van de communicatie met de hulpverlener en shared decision making. In vergelijking met CAU waren de effecten gering: Hedges’ g=.21. Daarnaast werden er studies gevonden met e-mental health interventies gericht op het managen van de leefstijl (b.v. stoppen met roken), het onderhouden van contacten met lotgenoten en real time zelfmonitoring. Er is nog weinig onderzoek naar de kosten-effectiviteit van dit soort interventies gedaan. Slechts bij één derde van de interventies waren cliënten bij de ontwikkeling betrokken. Het is duidelijk dat mensen met een psychotische stoornis gebruik kunnen en willen maken van e-health interventies. Geen enkele studie heeft negatieve effecten gevonden. Van der Krieke L, Wunderink L, Emerencia AC, De Jonge P & Sytema S (2014). E–Mental Health Self-Management for Psychotic Disorders: State of the Art and Future Perspectives. Psychiatric Services 65(1): 33–49. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Systematische review: 30% van de mensen met een Eerste Psychotische Periode (EPP) verbreekt contact met de hulpverlening
Een goede therapeutische relatie tussen hulpverlener en cliënt en continuïteit van zorg zijn van groot belang voor een effectieve eerste psychose hulpverlening. In deze Ierse systematische review (10 studies voldeden aan inclusiecriteria) werd onderzocht in welke mate drop-out of disengagement in de hulpverlening aan mensen met EPP voorkomt, welke definities over betrokkenheid bij de behandeling gebezigd worden en welke predictoren het beste de dropout voorspellen. Disengagement of het beëindigen van het contact met (of het niet meer betrokken zijn bij) de hulpverlening worden verschillend gedefinieerd. Vaak wordt alleen het al dan niet op de afspraak komen als maat gebruikt. Uit de gebruikte literatuur komt naar voren dat ongeveer 30% van de cliënten met een EPP het contact met de hulpverlening voortijdig verbreekt. De meest robuuste predictoren van drop out van cliënten met EPP zijn comorbide middelenmisbruik en het ontbreken van sociale steun van de familie. Bij andere predictoren waren de uitkomsten van de verschillende studies minder eenduidig: de ernst van de symptomen op baseline kan een predictor voor drop out zijn: hoe minder symptomen hoe eerder het contact verbroken wordt. Echter: sommigen hebben zulke ernstige symptomen dat ze niet in staat zijn contact op te nemen. Verschillende, conflicterende uitkomsten worden ook gevonden in studies waarin de invloed van de Duur van een Onbehandelde Psychose (DOP) of het al dan niet hebben van ziekte-inzicht op drop out werden onderzocht. De auteurs stellen dat de betrokkenheid bij de hulpverlening van de cliënten met EPP beter gemonitord moet worden. Hiervoor zou periodiek de Residential Rehabilitation Engagement Scale for Psychosis afgenomen kunnen worden. Het hoogste risico op drop out lopen degenen zonder ondersteuning van de familie of met een verslavingsprobleem. Roisin Doyle, Niall Turner, Felicity Fanning, Daria Brennan, Laoise Renwick, Elizabeth Lawlor, Mary Clarke (2014). First-Episode Psychosis and Disengagement From Treatment: A Systematic Review. Psychiatric Services  65(5), pp. 603–611. Trefwoord: Vroege Psychose

Flinke afname van intramurale opnames wegens eerste psychose door regionaal voorlichtings- en preventieprogramma gericht op vroege opsporing en verwijzing
In 2001 werd in de regio Greater Portland in de Amerikaanse staat Maine het Portland Identification and Early Referral program (PIER) geïmplementeerd. Het doel van PIER was om de incidentie van psychotische stoornissen te verminderen. PIER-medewerkers gaven tussen 2001 en 2007 aan meer dan 7200 hulpverleners, jeugdwerkers en onderwijsgevenden trainingen om prodromale tekenen van psychose bij 12 tot 35 jarigen te leren herkennen en de voordelen van vroege interventie en snelle verwijzing uit te leggen. PIER bood ook 24 maanden hulp aan de doorgestuurde jongeren gebaseerd op het Family-aided Assertive Community Treatment (FACT) model. De incidentie van eerste psychoses was niet bekend in Maine. In dit onderzoek werd gebruik gemaakt van de intramurale opnamecijfers wegens psychose van de Maine Health Data Organization (MHDO). De interventieregio Greater Portland werd vergeleken met drie andere stedelijke regio’s in Maine. In alle vier de regio’s werden eerst de maandelijkse opnamecijfers voor een eerste psychose over de twee jaar vóór de interventie opgespoord om die te vergelijken met de opnamecijfers over de periode 2001-2007. Om het effect te meten werd gebruik gemaakt van een Autoregressive integrated moving-average (ARIMA) model. In de periode 2001-2007 werden 404 personen naar het PIER team verwezen. Hiervan werden er 285 (71%) beoordeeld met de Structured Interview for Prodromal Syndromes (SIPS). Hiervan voldeden er 148 (37%) aan de criteria voor een prodromaal syndroom. Het aantal ziekhuisopnames wegens een eerste psychose nam in de interventieperiode ten opzichte van de periode daarvoor in Greater Portland significant af met 26% (95% BI=-64% tot -11%). In de controlegebieden nam het aantal opnames met 8% toe. In Greater Portland nam als gevolg van de PIER-interventie het aantal opnames in totaal met 34% af. Dit is dus een zeer succesvolle preventieve interventie. McFarlane WR, Susser E, McCleary R, Verdi M, Lynch S, Williams & McKeague IW (2014). Reduction in Incidence of Hospitalizations for Psychotic Episodes Through Early Identification and Intervention. Psychiatric Services  5(10): 1194–1200. Trefwoord: Vroege Psychose

Slechte prognose voor jongeren met een Eerste Psychotische Periode (EPP) die na hun eerste opname cannabis of stimulerende middelen blijven gebruiken
Veel jongeren die een psychose krijgen, gebruiken stimulerende middelen (cocaïne of amfetamine) én cannabis, waardoor het moeilijk is de effecten van elke drug apart te meten. In deze Australische studie werd op het niveau van de deelstaat New South Wales (NSW) voor een periode van 5 jaar (2005-2010) bekeken hoeveel eerste opnames (van personen tussen 15-29 jaar) er waren voor een eerste psychose (n=7772; follow up =7269) en hoeveel heropnames uit deze groep er in de twee jaar na de eerste opname volgden, met als doel te kijken of er een verband was tussen het gebruik van cannabis en/of stimulerende middelen (bij de eerste opname) en een eventuele heropname. Er werd gebruik gemaakt van de data van de openbare ziekenhuizen in NSW. Om vast te stellen of de jongeren drugs waren blijven gebruiken werd bij heropnames de Health of the Nation Outcome Scales (HoNOS) afgenomen. Er werden drie categorieën vastgesteld: 1. geen drugsprobleem (op baseline of voortdurend); 2. drugsprobleem is beëindigd (verslavingsstoornis bij eerste opname, maar duurt niet voort); 3. voortdurend drugsprobleem. Van de eerste opnamegroep had 30% een comorbide cannabisverslaving en 16% een comorbide stimulantia verslaving. Binnen de twee jaar werd 37% weer met een psychose opgenomen. Het heropnamecijfer was het hoogst voor de groep met een voortdurend drugsprobleem (66%; 95%BI 63-69), een stuk minder voor de groep die nooit drugs had gebruikt (50%; 95%BI 47-52) en het laagst voor de groep die gestopt was met drugsgebruik (40%; 95%BI 37-44). De grootste risicofactor voor heropname is niet het gebruik van cannabis of stimulerende middelen op baseline, maar het blijven gebruiken nadat de behandeling is gestart. Daarnaast lopen degenen die vóór hun opname wegens een psychose reeds behandeld waren voor een stimulantia verslaving een sterk verhoogd risico op heropname (Hazard Ratio=1.36). Sara GE, Burgess PM, Malhi GS, Whiteford HA & Hall WC (2014). Cannabis and stimulant disorders and readmission 2 years after first-episode psychosis. British Journal of Psychiatry 204 (6): 448-453. Trefwoord: Vroege Psychose

Bij mensen met een Eerste Psychotische Periode (EPP) kan onveilige gehechtheid voor een deel verklaren dat negatieve symptomen sterk aanwezig blijven
De gehechtheidsheorie van Bowlby kan voor een deel de aanpassing aan de invloed van ongunstige ervaringen in de jeugd verklaren. Ervaringen die een risicofactor voor psychose kunnen vormen. In deze prospectieve Schotse cohortstudie werd een groep mensen met EPP (n=79) 12 maanden gevolgd, waarbij met name gekeken werd of er een verband was tussen de mate waarin de persoon veilig gehecht was en het herstel van positieve en negatieve symptomen. Van iedereen in het cohort werd op baseline en na 6 en 12 maanden de Positive and Negative Syndrome Scale (PANNS) afgenomen –de PANNS bevat ook een item waarmee het ziekte-inzicht kan worden gemeten-, de Duur van een Onbehandelde Psychose (DOP) werd bepaald, en het Adult Attachment Interview (AAI) of Gehechtheidsbiografisch Interview (GBI) gehouden (n=54). Op grond van de Coherentie in de antwoorden van het GBI (CohT) worden de transcripten geclassificeerd als veilig, onveilig-gereserveerd of onveilig-gepreoccupeerd gehecht. De data werden geanalyseerd met behulp van multiple lineaire regressieanalyse en padanalyse. Het bleek dat 68,5% van het cohort een onveilige gehechtheidsrepresentatie had, 48,1% hoorde tot het type onveilig-gereserveerd en 20,4% tot het type onveilig-gepreoccupeerd. Er was een significant verband tussen een hogere CohT-score en een afname van de negatieve symptomen na 12 maanden: β=-0.307, t=-2.28, P=0.028. Uit het mediatiemodel kwam naar voren dat hoe meer iemand veiliger gehecht was (hogere CohT-score) des te beter het ziekte-inzicht, des te korter de DOP en des te meer de negatieve symptomen na 12 maanden waren afgenomen. Kortere DOP en meer ziekte-inzicht hadden een voorspellende waarde op het verbeteren van de positieve symptomen. Indirect heeft een veiligere gehechtheid invloed op een kortere DOP en een groter ziekte-inzicht. Gehechtheid geeft een kader om het proces van affectregulatie en herstel te begrijpen. Gumley AI, Schwannauer M, Macbeth A, Fisher R, Clark S, Rattrie L, Fraser G, McCabe R,  Blair A, Davidson K & Birchwood M (2014). Insight, duration of untreated psychosis and attachment in first-episode psychosis: prospective study of psychiatric recovery over 12-month follow-up. British Journal of Psychiatry 205 (1): 60-67. Trefwoord: Vroege Psychose

2013

De woonwensen van personen met een eerste psychose moeten al vanaf het begin in de behandeling worden meegenomen
De Noord-Amerikaanse GGz lijkt niet in staat tegemoet te komen aan de woonwensen van personen met ernstige psychische problemen gezien het feit dat deze vaak dakloos zijn, in zeer armoedige omstandigheden wonen of een instabiele woonsituatie hebben. De woonwensen van mensen veranderen per levensfase. Dat geldt ook voor mensen met psychische problemen. Vanuit ontwikkelingsperspectief is het voor jongvolwassenen van belang op zichzelf te gaan wonen. De eerste psychose (EP) doet zich ook vaak voor in de jongvolwassenheid. In dit Canadese kwalitatieve onderzoek werd met behulp van de grounded theory onderzocht hoe jongvolwassenen met EP (N=21; 18-30 jaar) en een vergelijkingsgroep zonder psychische problemen (N=31; 18-30 jaar) over hun huidige woonsituatie denken, hoe ze staan/stonden tegenover het verlaten van het ouderlijk huis en welke persoonlijke en systemische factoren bijdragen aan hun woontevredenheid. Met ieder van de deelnemers werd een diepte-interview gehouden. Uitgangspunt van de analyse was de interactie tussen de persoon en zijn omgeving. Uit de interviews kwamen twee kernthema’s naar boven: 1. Keuze van en controle over de woonsituatie; 2. Woonmogelijkheden in de loop van de tijd. Alleen de groep met EP maakt soms gedwongen vertrek uit het ouderlijk huis mee en dit besluit was meestal door externen (ouders of behandelaars) genomen. Personen die dit hebben meegemaakt hebben veel vaker een instabiele woonsituatie. De auteurs vinden dat de regels zo veranderd moeten worden dat jongvolwassenen met EP óók in aanmerking moeten kunnen komen voor een Housing First interventie. Roy L, Rousseau J, Fortier P & Mottard JP (2013). Housing and Home-Leaving Experiences of Young Adults with Psychotic Disorders: A Comparative Qualitative Study. Community Mental Health Journal 49 (5), 515-527. Trefwoord: Vroege psychose

Personen met een psychotische stoornis zijn zeker twee maal zo vaak slachtoffer van pesten geweest dan de gemiddelde bevolking
Er is veel evidentie die erop wijst dat mensen die in hun kindertijd mishandeld zijn een veel groter risico op psychotische stoornissen hebben dan anderen. Of dit verband ook bestaat bij Eerste Psychotische Episode (EPE)-patiënten die het slachtoffer zijn geweest van ernstige pesterijen en mishandeling (bullying) door leeftijdsgenoten in de periode die meer dan 5 jaar voor de eerste psychose ligt, is het onderwerp van deze Britse case-control studie. Verder werd bekeken of er verbanden zijn tussen blootstelling aan pesterijen, psychotische symptomen, cannabisgebruik en gedragsstoornis in het verleden. De EPE-patiënten (N=222) werden vergeleken met een representatieve steekproef uit de lokale bevolking (N=215), waarbij de Psychosis Screening Questionnaire (PSQ) werd afgenomen. Bullying werd gemeten met de Brief Life Events Schedule (BLES). Het bleek dat de EPE-patiënten significant vaker slachtoffer van pesterijen en mishandeling zijn geweest dan mensen uit de controlegroep (Adj. OR=2,28; 95%BI 1,49-3,49). Er werden geen significante interacties gevonden tussen bullying en cannabisgebruik of geslacht. Er was wel een sterke associatie tussen ervaringen met pesten en het hebben van een gedragsstoornis vóór het vijftiende jaar (Adj. OR=3,98). Het slachtoffer zijn van pesten lijkt ertoe bij te dragen dat personen kwetsbaarder voor psychotische stoornissen worden. Trotta A, Di Forti M, Mondelli V, Dazzan P, Pariantes C, David A, Mulè A, Ferraro L, Formica I, Murray,RM & Fisher HL (2013).Prevalence of bullying victimisation amongst first-episode psychosis patients and unaffected controls.Schizophrenia Research 150 (1), 169-175. Trefwoord: Vroege psychose

Van personen met een klinisch hoog risico op psychose ontwikkelen degenen met minder ernstige subklinische positieve symptomen meestal geen psychose
Vroegtijdige herkenning van psychotische aandoeningen kan tot snelle behandeling leiden waardoor de prognose kan worden verbeterd. Er zijn verschillende modellen om het voorstadium van psychose prospectief te identificeren. Eén van deze is het construct  Clinical High Risk (CHR) of klinisch hoog risico. Echter: de meeste personen met CHR ontwikkelen géén psychose. In deze Amerikaanse studie werden 84 adolescenten met CHR-criteria én 58 “gezonde” personen twee jaar gevolgd en werd op baseline, na 3, 6, 12 en 24 maanden de volgende zaken gemeten: al dan niet psychose ontwikkeld én de mate van klinisch en functioneel herstel. Het doel was om op te sporen in hoeverre degenen die wel een psychose ontwikkelden verschillen van degenen die geen psychose ontwikkelden. Alle personen met CHR hadden een prodromaal syndroom volgens de criteria van de Structured Interview for Prodromal Syndromes (SIPS). De “gezonde” controlegroep had geen psychiatrische stoornissen volgens de DSM-IV. De loop van de klinische symptomen en de overgang naar psychose werd bepaald met de Scale of Prodromal Symptoms (SOPS). Het sociale- en rolfunctioneren werd gemeten met de Global Functioning Scale (GFS): GFS Social en GFS Role. Met behulp van survival analyses werd bepaald dat 30% van de CHR-personen na 2 jaar een psychose had ontwikkeld, terwijl 36% duidelijk minder symptomen had en 30% functioneel hersteld was. Er was een duidelijk verband tussen de waarschijnlijkheid van symptomatisch en functioneel herstel en minder subklinische positieve symptomen (attentuated positive symptoms-APS). Verder zijn snelle verbeteringen in positieve, negatieve en angst- en depressieve symptomen indicatoren dat er herstel en geen psychose optreedt. De groep CHR-personen bij wie de symptomen afnam lijkt qua ontwikkeling het meeste op “normale” adolescenten. Door een verfijning van de CHR-criteria kunnen mogelijk “vals-positieven” worden voorkomen. Schlosser DA, Jacobson S, Chen Q,. Sugar CA, Niendam TA, Li G,. Bearden CE & Cannon TD (2012). Recovery From an At-Risk State: Clinical and Functional Outcomes of Putatively Prodromal Youth Who Do Not Develop Psychosis. Schizophrenia Bulletin 38(6), 1225-1233.

‘s Werelds eerste online psychosociale interventie gericht op behoud van de voordelen van vroege interventie bij psychose bij eerste psychotische episode lijkt veelbelovend
Hoewel het lijkt dat Eerste Psychotische Episode (EPE)-patiënten meer dan 2 jaar vroege psychose interventie nodig hebben, wordt deze behandeling over het algemeen maximaal 2 jaar aangeboden. Om de effecten te behouden zijn er alternatieven nodig. In deze Australische studie (N=20) werden de haalbaarheid, accepteerbaarheid, veiligheid en potentiële klinische voordelen voor de periode van 1 maand getest van de eerste op het internet gebaseerde psychosociale interventie –HORYZONS genaamd- gericht op adolescente EPE-patiënten die recent uit intensieve behandeling ontslagen zijn. Het HORYZONS platform is gebaseerd op het Moderated On-line Social Therapy (MOST) model. MOST integreert peer-to-peer online sociaal netwerken, individueel afgestemde interactieve psychosociale interventies en betrokkenheid van GGz-deskundigen en moderatoren. Het systeem is ontwikkeld door een multidisciplinair team van klinisch psychologen, ICT-ers, experts op het gebied van gezondheidsinformatica, web designers en professionele schrijvers. Het bleek dat 70% van de deelnemers het systeem minimaal drie weken hebben gebruikt. De sociale netwerk functies (het “café” genoemd) werd door 95% van de deelnemers gebruikt. 60% had ten minste drie therapeutische modules afgerond. De meerderheid van de deelnemers voelde zich veilig, sociaal verbonden en gesterkt (“empowered”). Gedurende de maand van deze pilot was er een significante afname van depressieve symptomen zoals gemeten met de Calgary Depression Rating Scale (CDRS). HORYZONS is een veelbelovend systeem dat een bijdrage kan leveren aan het herstel van EPE-patiënten. Alvarez-Jimenez M, Bendall S, Lederman R, Wadley G, Chinnery G, Vargas s, Larkin M, Killackey E, McGorry PD & Gleeson JF (2013). On the HORYZON: Moderated online social therapy for long-term recovery in first episode psychosis . Schizophrenia Research 143 (1), 143-149.

De beschadiging van de Theory of Mind (ToM) is bij Eerste Psychotische Episode (EPE)-patiënten even groot als bij chronisch schizofrene patiënten
Theory of Mind (ToM) is het vermogen om zich een beeld te vormen van het perspectief van een ander en indirect ook van zichzelf. Een slecht ontwikkeld ToM wordt als een wezenlijk kenmerk van schizofrenie gezien. Bijna alle evidentie hiervoor is gebaseerd op studies bij chronische patiënten. In deze Australische meta-analyse worden de ToM-scores van 3005 personen met een Eerste Psychotische Episode (EPE), patiënten met een ultrahoog risico op psychose (UHR), verwanten van deze beide groepen die geen stoornis hebben vergeleken met de scores van 1351 gezonde personen uit controle groepen. Er werden 21 studies in deze meta-analyse meegenomen. ToM werd gemeten met o.a. verbale of visuele ToM taken, hinting taken, ogen test, visuele grappen taak, The Awareness of Social Inference Test (TASIT) of de Movie for Assessment of Social Cognition (MASC). De effect maten werden in Cohen’s d berekend. In vergelijking met gezonde controls (N=929) scoorden de verwanten (zonder psychotische symptomen) (N=2388) significant slechter (d=0.37). ToM was significant beschadigd bij UHR-patiënten (N=332) in vergelijking met gezonde controls (N=249) (d=0.45). EPE-patiënten (N=285) scoorden nog veel slechter op de ToM-scores dan de andere twee groepen, ook in vergelijking met gezonde controls (N=228) (d=1.0). Uit deze meta-analyse blijkt dat flinke beschadigingen van de ToM al bij het begin van de schizofrene stoornis aanwezig zijn. Dit kan niet verklaard worden uit de chroniciteit van de stoornis of door langdurig gebruik van psychofarmaca. Omdat de ToM beschadigingen ook bij de verwanten van de schizofrene patiënten en de UHR-patiënten aanzienlijk zijn en dit ook in grote mate voorkomt bij de bipolaire stoornis, lijkt het erop dat een gebrekkig ontwikkelde ToM eerder een kenmerkende marker is voor psychose dan voor schizofrenie. Bora E & Pantelis C (2013). Theory of mind impairments in first-episode psychosis, individuals at ultra-high risk for psychosis and in first-degree relatives of schizophrenia: Systematic review and meta-analysis. Schizophrenia Research 144 (1), 31-36

De voorspelbaarheid van het ontstaan van een psychose kan worden verbeterd door data van familie en klinische hoog risico personen te combineren en deze te berekenen met zelflerende algoritmes
Het is nog steeds erg moeilijk om bij individuen het ontstaan van psychoses te voorspellen. In deze Amerikaanse systematische review werd gezocht naar studies over de methodes en de prestaties van voorspellende modellen die pogen het risico op psychoses zo nauwkeurig mogelijk te voorspellen. Inclusiecriteria waren: 1. Er moet meer dan één voorspellende variabele voor het ontstaan van de psychose of schizofrenie worden gebruikt; 2. De deelnemers aan de onderzoeken moesten óf familiair (genetisch) risico lopen óf tot een klinisch hoog risico (CHR) groep behoren. In totaal werden 18 studies geïncludeerd. De meest veelbelovende voorspellers voor het ontstaan van psychose waren berekeningen met data verzameld met kwaliteit van leven of algemeen functioneren meetinstrumenten (zoals Global Assessment of Functioning – GAF en Premorbid Adjustment Scale – PAS) en data van hersenscans, vooral als er met deze data gerekend werd met behulp van voorspellende model algoritmes zoals de Support Vector Machine (SVM). SVM is een zelflerende algoritme uit de Artificial Intelligence (AI). Vier studies die SVM gebruikten scoorden een specificiteit en een sensitiviteit van 100% tot 78%. Dit waren studies die met gegevens van hersenscans of neurocognitieve testen werkten. De 14 studies die meer algemene lineaire regressie modellen gebruikten scoorden op genoemde dimensies tussen de 67% en 81%. Over het algemeen zijn de prestaties van de voorspellende modellen voor psychose nog bescheiden. Strobl EV, Eack SM, Swaminathan V, Visweswaran S (2012). Predicting the risk of psychosis onset: advances and prospects. Early Intervention in Psychiatry 6 (4), 368–379.

Zorgmijdende adolescenten met ernstige psychiatrische problemen hebben duidelijk baat bij een aangepaste vorm van Assertive Community Treatment (ACT)
Deze Zwitserse pilot studie doet verslag van de effecten van een aangepaste ACT-interventie voor een groep adolescenten (13 tot 18 jaar) met psychiatrische problemen (N=35) die moeilijk tot behandeling te motiveren zijn. Een case manager zocht actief contact met de cliënten, voerde regelmatig gesprekken met hen in hun eigen omgeving (o.a. bij familie of op school) en schakelde andere hulpverleners in als dat noodzakelijk werd geacht. Gemiddeld duurde de ACT-interventie per persoon 4 maanden. De helft van de cliënten had psychotische stoornissen, de anderen stemmings-, angst- of gedragsstoornissen. Gemiddeld werden er 20 gesprekken per persoon gevoerd. De effecten werden gemeten door bij het begin en aan het einde van de pilot bij alle deelnemers de Health of the Nation Outcome Scales for Children and Adolescents (HoNOSCA) af te nemen. Het lijkt erop alsof de interventie een significante verbetering op een aantal domeinen tot gevolg heeft. De totale HoNOSCA score nam significant toe (d=1.27). Verder waren er significante verbeteringen op de volgende items: hyperactiviteit/op problemen focussen, schoolse vaardigheden, niet-organische somatische symptomen, emotionele symptomen , contacten met peers, contacten met gezinsleden en aanwezigheid op school. De aangepaste ACT-interventie lijkt de geestelijke gezondheid en het functioneren van moeilijk behandelbare adolescenten te verbeteren. Er is behoefte aan een gecontroleerde studie voor deze interventie. Baier V, Favrod J, Ferrari P, Koch N & Holzer L (2013). Early tailored assertive community case management for hard-to-engage adolescents suffering from psychiatric disorders: an exploratory pilot study. Early Intervention in Psychiatry 7 (1), 94–99.

Een IPS-trajectbegeleider toevoegen aan een team vroege interventie bij psychose verhoogt kansen op werk of opleiding voor jongvolwassenen met een psychotische stoornis
Veel personen met een psychose hebben geen toegang tot betekenisvolle of lonende educatieve of beroepsmatige activiteiten. De focus bij Vroege Interventie Psychose teams ligt meer bij effectieve symptoom reductie. In deze Engelse studie werd gekeken of het tijdelijk toevoegen van een IPS-trajectbegeleider –die zo modelgetrouw mogelijk volgens de principes van Individual Placement and Support (IPS) werkte- effect had op de arbeidsparticipatie van de deelnemers van een vroege interventie bij psychose (EIP) dienst in Noord-West Engeland. Op vier momenten werd bij twee verschillende diensten de mate van werkloosheid en deelname aan een opleiding of training gemeten. Gedurende één jaar werd aan een van de EIP-diensten een IPS-trajectbegeleider toegevoegd. De deelnemers waren tussen de 18 en 34 jaar. In de regio was het werkloosheidspercentage voor de leeftijdsgroep 16 tot 24 jaar 21%. In beide EIP-diensten lag de werkloosheid van de deelnemers vóór de interventie op 75%. De aantallen per dienst varieerden van 76 tot 101 cliënten. Gedurende het jaar van de interventie van de IPS-begeleider daalde de werkloosheid in die dienst naar 62%, terwijl in de andere dienst de werkloosheid gelijk bleef. Een half jaar nadat de IPS-begeleider gestopt was lag de werkloosheid weer rond de 75%, bij beide diensten. Het bleek dat de meeste van de deelnemers begeleid werden naar het oppakken van een opleiding. Degenen die door de dienst geholpen werden waar de IPS-begeleider in mee draaide hadden in die tijd tweemaal zo veel kans om betrokken te raken bij betekenisvolle activiteiten. IPS aan vroege psychose interventie toevoegen kan de kans op herstel vergroten. Dudley R, Nicholson M, Stott P & Spoors G (2013). Improving vocational outcomes of service users in an Early Intervention in Psychosis service. Early Intervention in Psychiatry. Article first published online: 14 MAR 2013.

Ook bij Eerste Psychotische Episode (EPE)-cliënten lijkt de Social Cognition and Interaction Training (SCIT) het sociaal-cognitieve functioneren te verbeteren
De Social Cognition and Interaction Training (SCIT) is bewezen effectief in het verbeteren van emotionele perceptie, sociale perceptie, Theory of Mind (ToM) en attributiestijl bij cliënten met schizofrenie. Deze Engelse haalbaarheidsstudie is het eerste onderzoek waarbij de effecten van SCIT bij een kleine groep (N=9; hebben hele training afgemaakt; 16 tot 26 jaar) Eerste Psychotische Episode (EPE)-cliënten worden gemeten. In sessies van 2 uur per week werd het SCIT-programma gedurende 10 weken in twee groepen aangeboden. SCIT bestaat uit: 1. emotionele herkenningstraining in sociale context; 2. leren herkennen van verschillende attributiestijlen; 3. integreren van deze vaardigheden in real-life situaties. Om effecten te meten werden bij alle deelnemers op baseline en na de interventie gemeten: a. emotionele perceptie met de Diagnostic Analysis of Nonverbal Accuracy-2 (DANVA-2); b. ToM met hinting taak én Picture Sequencing Task (PST); c. attributie vooroordelen met de Internal Personal and Situational Attributions Questionnaire (IPSAQ); d. sociaal functioneren met de Social and Occupational Functioning Assessment Scale (SOFAS) en de Global Functioning Scales (GFS); e. psychopathologie met de Brief Psychiatric Rating Scale (BPRS), de Scale for the Assessment of Negative Symptoms (SANS) en de Centre for Epidemiological Studies Depression scale (CESD). Ondanks de geringe omvang van deze studie bleken de deelnemers een significante verbetering in de emotionele perceptie van laag-intensieve gezichten (F=5.85) te scoren. De totale score op de DANVA was ook duidelijk beter (F=4.22). Daarnaast waren er verbeteringen voor de SOFAS en de GFS. De SCIT kan ook bij jongvolwassene EPE-cliënten worden ingezet. Bartholomeusz CF, Kelly Allott, Killackey E, Liu P, Wood SJ & Thompson A (2013). Social cognition training as an intervention for improving functional outcome in first-episode psychosis: a feasibility study. Early Intervention in Psychiatry: Article first published online: 28 FEB 2013

Statistische aanwijzingen dat vroege interventie bij eerste psychose op lange termijn kosteneffectief is ten opzichte van standaard behandeling
Deze Deense RCT is het eerste langetermijnonderzoek waarin de kosteneffectiviteit van een vroege interventie bij een eerste psychose (OPUS genaamd) wordt vergeleken met die van een standaard behandeling. Alle patiënten die zich in een periode van 2 jaar met een psychose bij de GGz in twee steden hebben aangemeld, werden at random toegewezen aan OPUS of standaard behandeling en 5 jaar gevolgd. Van 151 OPUS-patiënten en 150 controle patiënten konden alle data worden verzameld. Met behulp van de Incremental Cost-Effectiveness Ratio (ICER) werden alle gezondheidszorg kosten van alle 301 geïncludeerde patiënten verzameld. Na 2 en na 5 jaar werd het klinisch functioneren met de Global Assessment of Functioning-Function (GAF-F) gemeten. Het bleek dat na 5 jaar de gemiddelde totale kosten van OPUS (€123.683) niet significant lager waren dan die van de standaardbehandeling (€ 148.751). Na twee jaar waren de GAF-scores van de OPUS-groep significant beter dan die van de controle groep, maar na vijf jaar waren er geen significante verschillen meer tussen beide groepen. Met behulp van de statistische bootstrap-procedure kon worden aangetoond dat OPUS in 70% van de 2000 replicaties van de steekproef kosteneffectiever is dan de standaard behandeling. Als men bereid is €50.000 per patiënt meer te betalen neemt de waarschijnlijk van de effectiviteit van OPUS toe tot 80%. Hastrup LH, Kronborg C, Bertelsen M, Jeppesen P, Jorgensen P, Petersen L, Thorup A, Simonsen E & Nordentoft M (2013). Cost-effectiveness of early intervention in first-episode psychosis: economic evaluation of a randomised controlled trial (the OPUS study). British Journal of Psychiatry 202 (1), 35-41.

Psychoeducatie kan publiek stigma ten opzichte van adolescenten met een psychose risico syndroom temperen
Het psychose risico syndroom heeft een voorspellende waarde van ongeveer 35%. Meer dan 60% van de personen met dit label krijgt dus geen psychose. Alle adolescenten en jongvolwassenen die het label ‘kans op psychose’ krijgen opgeplakt lopen risico op publiek stigma, ook bij hun leeftijdsgenoten, die in die ontwikkelingsfase erg belangrijk zijn. Twee belangrijke stigma domeinen zijn: 1. stereotyperen en 2. verlies van status en discriminatie. In deze Amerikaanse studie (N=153; 18+ studenten) werd met behulp van vignetten onderzocht in hoeverre de mate van stigma –in de domeinen stereotypering en discriminatie- die door de diagnose ‘risico op psychose’ wordt uitgelokt verschilt van die van andere diagnostische labels (depressie; angststoornis; schizofrenie). Bij één van de vignetten werd expliciet vermeld dat van alle personen met een psychose risico syndroom slechts 35% binnen 2,5 jaar ook daadwerkelijk een psychose krijgt. De verschillende vignetten werden at random toegewezen. In vergelijking met de labels voor niet-psychotische stoornissen, lokte schizofrenie meer negatieve stereotypering uit. De respondenten gaven bij het vignet over personen met een kans op psychose aan meer sociale afstand te willen en waren minder geneigd om deze personen te helpen in vergelijking met de andere diagnoses. Er bleek geen verschil in stigma tussen risico op psychose en schizofrenie. De mate van stigma was wel beduidend lager bij de vignetten waarbij accurate informatie over psychoses werd vermeld. Goede psychoeducatie over psychoses op scholen en universiteiten kan de kans op stigma doen afnemen. Yang LH, Anglin DM, Wonpat-Borja AJ, Opler MG, Greenspoon M & Corcoran CM (2013). Public Stigma Associated With Psychosis Risk Syndrome in a College Population: Implications for Peer Intervention. Psychiatric Services 64 (3), 284-28

2012

Personen met ultrahoog risico op psychose die later daadwerkelijk psychotisch werden hebben bij nulmeting meer sociale handicaps dan zij die niet psychotisch werden
Het risico op psychose wordt voornamelijk ingeschat op basis van attenuated(zwakke) positive symptoms (APS) zonder functionele gebreken die kenmerkend zijn voor schizofrenie mee te nemen. In deze Amerikaanse prospectieve studie werd het sociale- en rol functioneren van 100 personen met ultrahoog risico (UHR) op psychose beoordeeld. Deze data komen uit de North American Prodromal Longitudinal Study (NAPLS). Er werden vier groepen gemaakt: één groep die binnen 6 maanden na de nulmeting een psychose ontwikkelde (Short-Term Converters; STC; N=26), hieraan werd een even grote groep UHRs gematched die geen psychose ontwikkelde. De tweede groep ontwikkelde een psychose tussen de 7 en 30 maanden na de nulmeting (Longer Onset Converters; LOC; N=24), waaraan eveneens een even grote groep UHRs werd gekoppeld die geen psychose ontwikkelde. Het sociale functioneren werd bij iedereen gemeten met Global Functioning Scales–social (GF-social), het rol-functioneren met de GF-role. Het blijkt dat reeds bij de nulmeting UHRs die later psychotisch werden significant meer gebreken op het domein sociaal functioneren hadden dan de met hun gematchtendie geen psychose ontwikkelden. STC hadden een bijna 4 maal groter sociaal gebrek dan degenen die geen psychose kregen (OR 3.82), terwijl dit voor LOC zelfs meer dan vijf maal zo groot was (OR 5.83). Nadat de psychose zich manifesteerde trad er geen verslechtering van het sociale functioneren op bij STC en LOC. Bij het rol-functioneren is eenzelfde trend te zien maar waren de verschillen niet significant. Het lijkt erop dat slecht sociaal functioneren in een vroeg stadium een onafhankelijke risicofactor op het ontwikkelen van een psychose vormt bij personen met UHR op psychose. Dit is te gebruiken bij nieuwe vormen van vroege interventie. Cornblatt BA, Carrión RE, Addington J, Seidman L, Walker EF, Cannon TD, Cadenhead KS, McGlashan TH, Perkins DO, Tsuang MT, Woods SW, Heinssen R & Lencz T (2012). Risk Factors for Psychosis: Impaired Social and Role Functioning. Schizophrenia Bulletin 38 (6), 1247-1257 Trefwoord: Vroege psychose

Bij patiënten met ultrahoog risico (UHR) op psychose blijkt een specifieke behandeling van de subklinische psychose effectief
In deze Nederlandse RCT werden gedurende twee jaar op vier GGZ-locaties alle aanmelders (N=5705) gescreend met de Prodromal Questionaire (PQ). Degenen met subklinische psychotische symptomen werden vervolgens ondervraagd met de Comprehensive Assessment of At-Risk Mental State (CAARMS). Van de 302 patiënten die risico op psychose liepen werden er 98 at random toegewezen aan een groep met Cognitieve GedragsTherapie (CBT) + 6 maanden speciale aandacht voor cognitieve vertekeningen en psychoeducatie over o.a. dopamine gevoeligheid (CBTuhr), en 103 patiënten kwamen in de controle groep waar ze de gangbare CBT kregen. Er werd bij het begin, na 6, 12 en 18 maanden gemeten met de CAARMS, de Beck Depression Inventory (BDI), de Social Interaction Anxiety Scale (SIAS), de Manchester Short Assessment of Quality of Life (MANSA), de Social and Occupational Functioning Assessment (SOFAS) en de Personal Beliefs on Illness Questionnaire-Revised (PBIQ-R). Na 18 maanden hadden in de CBTuhr-groep 10 patiënten een psychose ontwikkeld, tegenover 22 in de controlegroep. Er moeten 9 personen met CBTuhr behandeld worden om één psychose te voorkomen (NNT = 9; BI: 4,7-89,9). Met de speciale CBTuhr interventie kan bij 50% van de personen met subklinische psychotische symptomen de ontwikkeling naar een volledige psychose voorkomen worden. Deze studie is onderdeel van de Dutch Early Detection and Intervention Evaluation (EDIE-NL). Van der Gaag M, Nieman DH, Rietdijk J, Dragt S, Ising HK, Klaassen RMC, Koeter M, Cuijpers P, Wunderink L & Linszen DH. (2012). Cognitive Behavioral Therapy for Subjects at Ultrahigh Risk for Developing Psychosis: A Randomized Controlled Clinical Trial. Schizophrenia  Bulletin first published online September 1, 2012.

Onder patiënten die zich bij de reguliere GGz aanmelden komt drie keer zoveel ultrahoog risico (UHR) op psychose voor dan bij patiënten die naar Vroege Psychose kliniek zijn verwezen
Er zijn betere wervingsstrategieën nodig om personen op te sporen met een ultrahoog risico (UHR) om een psychose te ontwikkelingen. In deze Nederlandse studie werd op twee verschillende soorten GGZ-intake-locaties bij patiënten over een periode van 18 maanden regelmatig de Comprehensive Assessment of At-Risk Mental State (CAARMS) afgenomen: locatie 1: screening van tweedelijns GGz-aanmeldingen in de regio Den Haag/Zoetermeer die ‘positief’ scoorden op de Prodromal Questionnaire (N=93; leeftijd: 18-35 jaar); locatie 2: alle patiënten die naar de Vroege Psychose kliniek van het AMC waren verwezen (= tertiaire GGZ) (N=40; leeftijd: 14-35 jaar). De primaire uitkomstmaat was de transitie naar psychose zoals gemeten met de CAARMS of beginnen met gebruik van antipsychotica. Het bleek dat bij de gescreenden (=locatie 1) UHR drie maal vaker komt dan bij de patiënten die verwezen werden naar de Vroege Psychose kliniek. De gescreenden waren ouder en vaker van het vrouwelijk geslacht. Zij scoorden ook significant hoger voor depressie, sociale angst en zij ontwikkelden ook significant vaker een psychose dan degenen die bij de Vroege Psychose kliniek behandeld werden (respectievelijk 22,5% versus 7,5%). Als hulpzoekenden in de algemene tweedelijns GGZ op de juiste wijze worden gescreend kan UHR voor psychose goed worden opgespoord, zonder veel vals-positieven. Deze studie is onderdeel van de Dutch Early Detection and Intervention Evaluation (EDIE-NL). Rietdijk J, Klaassen R, Ising H, Dragt S, Nieman DH, Van de Kamp J, Cuijpers P, Linszen D & Van der Gaag M (2012). Detection of people at risk of developing a first psychosis: comparison of two recruitment strategies. Acta Psychiatrica Scandinavica, 126 (1), 21-30.

2011

Personen met een eerste psychose die vóór de eerste opname werken of studeren hebben het meeste baat bij Cognitieve Gedragstherapie (CGT)
Het is bekend dat sommige personen die een psychose meemaken baat hebben bij Cognitieve Gedragstherapie (CGT). In deze exploratieve Australische RCT werd uitgezocht bij welke patiënten met een eerste psychose CTG effectief blijkt te zijn. Eén groep (N=31) kreeg 14 weken CTG, de controlegroep (N=31) kreeg een therapie (Befriending) die speciaal ontworpen is om te controleren op niet-specifieke factoren van blootstelling aan therapie. Er werden vier metingen verricht (baseline, na 6 weken, na 12 weken, na 1 jaar) op de domeinen: demografische variabelen, cognitie (IQ), positieve en negatieve symptomen en sociaal en beroepsmatig functioneren. De belangrijkste meetinstrumenten waren: BPRS-psychotisch; Scale for the Assessment of Negative Symptoms (SANS) en de Social and Occupational Functioning Assessment Scale (SOFAS). Het blijkt dat degenen uit de CTG-groep die op baseline niveau hoog scoorden op de SOFAS (d.w.z. beter functioneerden) na één jaar duidelijk minder positieve symptomen hadden, dat minder negatieve symptomen worden voorspeld door lage avolitie-scores (SANS) op baseline en door een hoger scholingsniveau en dat degenen die op baseline aan het werk of studeren waren na één jaar over het algemeen beter functioneerden en dus de meeste baat hadden bij de CTG-interventie. Bij de controlegroep had enkel de Premorbid Adjustment Scale (PAS)-score enige voorspellende waarde. Allot K, Alvarez-Jimenez M, Killackey EJ, Bendall S, McGorry PD & Jackson HJ (2011). Patient predictors of symptom and functional outcome following cognitive behaviour therapy or befriending in first-episode psychosis. Schizophrenia Research 132 (2), 125-130. Trefwoord: Vroege psychose

Gebruikers van Britse Vroegtijdige Interventie Psychose (VIP) zijn tevreden over hulpverlening en over ondersteuning door ouders
Zo’n 20 jaar geleden werden in een aantal Westerse landen (o.a. VK en USA; in Amsterdam vanaf 2006) speciale teams gestart om snel te kunnen optreden bij een eerste psychose. In Engeland worden deze Early Intervention Services (EIS) genoemd. Belangrijkste redenen voor het instellen deze speciale diensten: 1. Hoe later met de behandeling van een psychose wordt begonnen hoe slechter de prognose; 2. Snelle behandeling leidt tot minder terugval en heropnames. In deze exploratieve, kwalitatieve Engelse studie werden 36 personen van 14 tot 35 jaar die gebruik maakten van EIS tweemaal binnen een jaar geïnterviewd over hun ervaringen met deze dienst. De volgende thema’s stonden centraal: 1.De relatie met de verantwoordelijke hulpverlener; 2. De rol van de ouders ; 3. De verandering van het zelfbeeld. De meeste geïnterviewde EIS-zorggebruikers zijn positief over hun hulpverleners; men vindt hen te vertrouwen en ondersteunend. Een deel vond het zorgaanbod van drie jaar te intensief. De EIS-zorggebruikers vinden ondersteuning door familieleden essentieel en zeer waardevol. Een groot deel van de geïnterviewden geven aan dat ze door de ziekte en de behandeling (o.a. medicatie) een negatief zelfbeeld hebben gekregen en een sterk gevoel van verlies van hun oude zelf ervaren. Lester H, Marshall H, Jones P, Fowler D, Amos T, Khan N & Birchwood M (2011). Views of Young People in Early Intervention Services for First-Episode Psychosis in England. Psychiatric Services 62 (8), 882-887. Trefwoord: Vroege Psychose

2010

Intensieve ACT-interventie heeft geen effect op ervaren kwaliteit van leven bij patiënten met een eerste psychose
Deze Deense studie is onderdeel van een RCT waarin de effectiviteit van een speciaal ontwikkelde intensieve psychosociale Assertive Community Treatment (OPUS)-interventie werd onderzocht. De Lancashire Quality of Life Profile (LQoLP) werd bij een groep patiënten met een eerste psychose (N=280) bij het eerste behandelcontact en na twee jaar afgenomen. Eén groep (N=128) kreeg in die twee jaar de OPUS-interventie en de rest (N=127) kreeg de standaard behandeling. De OPUS-interventie bestaat uit ACT, sociale vaardigheidstraining, psycho-educatie en multifamiliaire groepen. Het multidisciplinaire OPUS-team heeft een werkbelasting van 1 op 10, tegenover die van 1 op 25 bij de standaard behandeling. Op de negen domeinen die met de LQoPL worden gemeten werden er na twee jaar geen significante verschillen tussen de twee groepen vast gesteld wat betreft de ervaren kwaliteit van leven. Er werd wel een verband gevonden tussen ervaren kwaliteit van leven en een betere affectieve balans en het hebben van meer zelfwaardering (self esteem). Thorup, A., Petersen, L., Jeppesen, P., & Nordentoft, M. (2010). The quality of life among first-episode psychotic patients in the opus trial. Schizophrenia Research 116 (1), 27-34. Trefwoord: Vroege Psychose