Kennis delen over herstel, behandeling en
participatie bij ernstige psychische aandoeningen

 

Rehabilitatie & participatie 2019

De kwaliteitsbeoordeling van de ggz hulpverlening vanuit het cliënten-perspectief is met name op cliënttevredenheid gericht
Deze Australische integratieve review heeft tot doel de evidentie over de theoretische kaders, methodologische afwegingen en meetinstrumenten die gebruikt worden om de kwaliteit van de ggz hulpverlening vanuit het cliëntenperspectief te beoordelen, te synthetiseren. Met de uitkomsten van deze review worden hulpverleners en kwaliteitsbeoordelaars geïnformeerd over welke benaderingen het beste gebruikt kunnen worden om verbeterde ggz te meten. Kwaliteit van ggz hulpverlening wordt gedefinieerd als de mate waarin de hulp aan de cliënten naar alle waarschijnlijkheid bijdraagt aan gewenste uitkomsten en of de hulp volgens de best practices wordt aangeboden. Er werden 30 publicaties geïncludeerd, waarvan 16 over meetinstrumenten en 14 over theoretische en methodologische thema’s. Vanuit theoretisch oogpunt wordt het Donabedian model het meest gebruikt om de kwaliteit van de ggz te beoordelen. Dat model heeft drie componenten: structuur, proces en uitkomst. Bij publicaties die de structuur beoordelen kan het gaan om factoren van het gezondheidszorgsysteem (bv. beschikbaarheid; toegankelijkheid) of over cliëntfactoren (bv. klinische achtergrond). Publicaties over het proces gaan over interpersoonlijke relaties en technische vaardigheden. Bij publicaties over de uitkomsten moet onderscheid gemaakt worden tussen klinische/objectieve uitkomsten (bv. symptomen; herstel) en uitkomsten vanuit het subjectieve cliëntenperspectief (bv. tevredenheid; kwaliteit van leven; functioneren; persoonlijk herstel; sociale participatie). Bij de methodologische afwegingen moet er oog zijn voor de context en culturele setting van de ggz hulpverlening. Bij de beoordeling van ggz hulpverlening zou naast het cliëntperspectief ook zoveel mogelijk het perspectief van de hulpverleners en het algemene publiek in de gaten gehouden moeten worden. Er werden 32 meetinstrumenten gevonden om de cliënttevredenheid te meten, negen om de kwaliteit van leven, vijf om de symptomen en vijf om het functioneren te boordelen.
Badu E, O’Brien AP, Mitchell R. (2019). The Conceptualization of Mental Health Service Quality Assessment: Consumer Perspective. Adm Policy Ment Health. 2019 Nov;46(6):790-806.
Trefwoord: Rehabilitatie & participatie

Jongvolwassenen met ernstige psychische problemen die werkloos zijn of geen opleiding (meer) volgen zijn meestal niet aan hoger onderwijs begonnen
De meeste psychische stoornissen kondigen zich aan vóór het 25ste levensjaar waardoor er vaak breuken in de normale adolescente ontwikkeling op opleidings- en beroepsgebied optreden. Het is van belang om factoren op te sporen die een mogelijke verklaring kunnen geven voor het afbreken van de opleiding of het gestopt zijn met werken op het moment van het eerste contact met de hulpverlening. In deze Australische studie (N=145; 15-25 jaar) werden data uit de dossiers geanalyseerd van jongvolwassenen die zich voor het eerst hadden aangemeld bij de Orygen Youth Health Clinic in Melbourne. Er werden vergelijkingen gemaakt tussen de deelnemers van drie gespecialiseerde programma’s: psychose (N=43); stemmingsstoornissen (N=52) en borderline persoonlijkheidsstoornis (N=43). Met behulp van logistische regressiemodellen werden associaties opgespoord tussen enerzijds ‘gestopt met opleiding’ òf ‘werkloos’ zijn òf ‘niet in opleiding, training zijn en geen werk hebben’ (NEET) en anderzijds de domeinen die in het Harvey-Strassnig-model zijn genoemd: demografische kenmerken; klinische presentatie; gezondheidsstatus; functionele capaciteit; cognitief functioneren en primaire diagnose. Deze factoren konden in de dossiers teruggevonden worden. Tussen de diagnostische groepen werden geen verschillen gevonden. Er werden twee leeftijdsgroepen onderscheiden: 15-18 jaar en 19-25 jaar. Er werden significante associaties gevonden tussen ‘gestopt zijn met een opleiding’ en 1. ‘ouder zijn’ : OR=4.38; en 2. ‘niet bij de ouders wonen’: OR=2.87. Er werden ook sterke associaties gevonden tussen ‘gestopt zijn met een opleiding’ en middelengebruik. Werkloosheid en NEET werden beide significant geassocieerd met ‘niet met een hoger onderwijs opleiding begonnen zijn’: respectievelijk OR=0.23 en OR=0.05. Er was ook een significante associatie tussen tot de NEET-groep behoren en ouder zijn: OR: 6.18. Bij het begin van de behandeling moet meer aandacht komen voor het stimuleren van het behalen van hoger onderwijskwalificaties..
Caruana E, Allott K, Farhall J, Parrish EM, Davey CG, Chanen AM, Killackey E, Cotton SM. (2019). Factors associated with vocational disengagement among young people entering mental health treatment. Early Interv Psychiatry. Aug;13(4):961-968.
Trefwoord: Rehabilitatie & participatie

Hulpverleners zien verschillende structurele barrières op volledig burgerschap voor ggz-cliënten
De sociale omgeving kan van invloed zijn op het ontstaan en de ontwikkeling van psychische problemen. Het concept ‘burgerschap’ kan worden gebruikt om te kijken in hoeverre personen met psychische problemen sociaal geïncludeerd zijn. Burgerschap wordt gedefinieerd als een sterke verbondenheid van een persoon met de rechten, verantwoordelijkheden, rollen en hulpbronnen die in een samenleving via instituties worden aangeboden, de relaties met sociale netwerken en een gevoel erbij te horen dat ook door anderen wordt bevestigd. In dit Amerikaanse onderzoek werd met behulp van een specifiek meetinstrument in kaart gebracht welke obstakels voor volledig burgerschap voor hun cliënten door ggz-hulpverleners worden waargenomen. De items van een verkorte vorm van de Citizen Outcome Measure (CM) werden met 77 ggz-hulpverleners (maatschappelijk werkers; psychiaters; IPS-trajectbegeleiders; psychologen; verpleegkundigen) in focusgroepen besproken. Een van de thema’s uit de focusgroepen was: structurele barrières voor burgerschap, met de volgende vijf subthema’s: 1. Cliënten hebben beperkte keuzes als gevolg van historisch gegroeide structurele elementen van de ggz-systemen, waarin paternalisme nog steeds aanwezig is; 2. Armoede komt veel voor bij ggz-cliënten en beperkt het bereiken van volledig burgerschap; 3. Op het gebied van het vinden van huisvesting en werk lopen de cliënten tegen structureel stigma aan; 4. Onder meer als gevolg van armoede wonen cliënten in achterstandswijken en voelen zich vaak onveilig; 5. Burgerschap verwijst naar een legale status, die ongedocumenteerden dus niet hebben, waardoor sociale inclusie voor deze groep extra lastig is. De hulpverleners vinden op burgerschap georiënteerde ggz wel van belang, maar vinden dat ze weinig invloed hebben op het verminderden van de genoemde barrières voor de cliënten
Clayton A, Miller R, Gambino M, Rowe M, Ponce AN. (2019). Structural Barriers to Citizenship: A Mental Health Provider Perspective. Community Ment Health J. 2019 Oct 28.
Trefwoord: Rehabilitatie & participatie

Engeland: slechts 42% van de psychiatrische cliënten stroomt binnen 30 maanden door naar een minder intensieve woon/behandel-begeleidingsvorm
In Engeland leven ongeveer 60.000 personen met langdurig psychische problemen in een vorm van begeleide huisvesting. Er zijn 3 typen: 1. Residentiële zorg: onbeperkte 24-uurs begeleiding (wonen, leven en behandeling onder één dak); 2. Beschermd wonen: meer zelfstandigheid in indeling van eigen leven; huisvesting meestal van de instelling die zorg verleent; 3. Begeleid zelfstandig wonen: cliënt woont in door hemzelf gehuurde woonruimte, begeleiding komt enkele uren per week langs. Het doel van de zorg is om de cliënten binnen 30 maanden naar minder zware vormen van hulpverlening te laten doorstromen. In het kader van de Quality and Effectiveness of Supported Tenancies for people with mental health problems (QuEST)-studie werd een cohort (N=586; 87 locaties) 30 maanden gevolgd om te kijken wie succesvol doorstroomde naar een meer zelfstandige woonruimte en/of minder begeleiding, en in hoeverre het succes toe te schrijven was aan de kwaliteit van de hulpverlening. Er werden o.a. de volgende meetinstrumenten afgenomen: de Qualtity Indicator for Rehabilitative Care – Supported Accommodation (QuiRC-SA), de Special Problems Rating Scale (SPRS), de Camberwell Assessment of Needs Short Assessment Scale (CANSAS), de Life Skills Profile (LSP). De data werden geanalyseerd met behulp van logistische mixed effect modellen. Het bleek dat cliënten in de residentiële zorg en begeleid wonen ernstigere psychische problemen hadden dan de zelfstandig wonende. Van alle deelnemers stroomde gemiddeld 41,5% (243 van de 586) succesvol door naar een minder zware vorm van ondersteunde huisvesting: residentiële zorg: 10,3%; beschermd wonen: 39,3%; ambulante zorg: 67,7%. In vergelijking met een persoon die in residentiële zorg was, was de doorstroomkans van iemand in ambulante zorg bijna 8 keer zo groot (OR=7,96; 95%BI 2,92-21,69). Doorstromen werd geassocieerd met kostenreductie en een positieve kwaliteit van de dienstverlening.
Killaspy H, Priebe S, McPherson P, Zenasni Z, Greenberg L, McCrone P, Dowling S, Harrison I, Krotofil J, Dalton-Locke C, McGranahan R, Arbuthnott M, Curtis S, Leavey G, Shepherd G, Eldridge S, King M. (2019). Predictors of moving on from mental health supported accommodation in England: national cohort study. Br J Psychiatry. May 3:1-7.
Trefwoord: Rehabilitatie & participatie

Bij ‘begeleide woonvormen’ voor personen met psychische problemen zijn welzijn, sociale identiteit en privacy van belang
De plaats waar iemand woont heeft invloed op het persoonlijke en sociale leven. Na de deïnstitutionalisering zijn er verschillende vormen van huisvesting ontstaan in combinatie met ondersteuning of hulverlening. Te denken valt aan begeleid wonen, waarin iemand zelfstandig woont en hulp aan huis krijgt, of beschermd wonen waarbij de zorgaanbieder ook de huisvesting beheerd. Ook kan ‘begeleid wonen’ door de rechter zijn opgelegd. In deze Noorse systematische review werd gepoogd samen te vatten hoe de gebouwde omgeving eruit ziet voor personen met ernstige psychische problemen in het tijdperk van deïnstitutionalisering. Er werden 13 studies (uit de VS, Canada, Zweden en Brazilië) meegenomen. In de ene helft van de studies woonden de deelnemers onafhankelijk in appartementen, in de andere helft woonden de deelnemers in huisvesting van de zorgaanbieder. Uit de thematische analyse kwamen 3 thema’s naar voren met betrekking tot de gebouwde omgeving van de begeleid woonvormen: 1. Welzijn (kwaliteit van leven; herstel) ; 2. Sociale identiteit (regulering, stigma, autonomie); 3. Privacy (toezicht, veiligheid, eenzaamheid en intimiteit). Uit de studies bleek dat welzijn meer verbonden was met de gemeenschap en de buurt dan met het specifieke gebouw. Privacy was meer verbonden met de architectuur van de begeleid wonen huisvesting en het beheer ervan door de hulpverleners. Sociale identiteit was gekoppeld aan zowel de behuizing zelf als aan de omgeving. Elk begeleid wonen-type heeft zijn voor- en nadelen. Bepaalde vormen van beschermd wonen zijn erg gereguleerd en geprofessionaliseerd en bieden veiligheid en minimum kwaliteit van leven. Degenen die onafhankelijk wonen hebben meer mogelijkheden om zichzelf te ontwikkelen, maar dat levert wel problemen op als ze in achterstandsbuurten wonen Toch heeft onafhankelijk wonen de voorkeur van de personen met psychische problemen.
Friesinger JG, Topor A, Bøe TD, Larsen IB. 92019) Studies regarding supported housing and the built environment for people with mental health problems: A mixed-methods literature review. Health Place. May;57:44-53.
Trefwoord: Rehabilitatie & participatie

Toevoegen van cognitieve remediatie interventie aan psychiatrisch rehabilitatie programma is gunstig voor werk-gerelateerd en sociaal functioneren
Cognitieve beperkingen hebben invloed op de sociale uitkomsten (werk; sociale vaardigheden; zelfzorg) van psychiatrische rehabilitatie (PR) programma’s voor personen met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA). Uit evaluaties van cognitieve remediatie (CR) trainingen voor EPA met cognitieve beperkingen komt naar voren dat CR niet vaak leidt tot functionele verbeteringen in het ‘echte leven’. Er zijn wel aanwijzingen dat een combinatie van PR en CR meer positieve resultaten oplevert. In deze Nederlandse systematische review en meta-analyse (n= 23 studies; 1819 patiënten) werd onderzocht of een combinatie van een PR- én een CR-interventie een groter effect heeft dan alleen een PR- of een CR-interventie op de verschillende domeinen van functioneren (uitkomstmaten: werkvaardigheden; sociale vaardigheden; algemeen maatschappelijk functioneren). Onder psychiatrische rehabilitatie wordt verstaan: personen met psychiatrische problemen helpen hun mogelijkheid om succesvol te functioneren te vergroten in een omgeving van hun keuze met zo weinig mogelijk langdurige professionele begeleiding. Deze review werd conform de PRISMA richtlijnen uitgevoerd. Voor continue uitkomstmaten werden de standardized mean differences (SMD) uitgerekend en voor de dichotome maten de OR’s. De combinatie van CR en PR blijkt voor algemene cognitie significant beter te scoren (SMD=0.31; BI: 0.17-0.45) ten opzichte van PR alleen. Deze combinatie leidt ook tot significant betere arbeidsparticipatie (SMD=0.41; BI: 0.10-0.72) en significant betere scores voor sociale vaardigheden (SMD=0.24; BI: 0.10-0.38). Op het domein van het algemeen maatschappelijk functioneren werden geen positieve verbanden gevonden. De beste resultaten met betrekking tot werk werden gevonden bij de deelnemers met de minste opleiding. Ook werden er aanwijzingen gevonden dat de doorwerking van CR-interventies in het echte leven verbeteren als ze in het kader van een PR-programma gegeven worden.
Van Duin D, De Winter L, Oud M, Kroon H, Veling W, Van Weeghel J. (2019). The effect of rehabilitation combined with cognitive remediation on functioning in persons with severe mental illness: systematic review and meta-analysis. Psychol Med. Jul;49 (9): 1414-1425.
Trefwoord: Rehabilitatie & participatie

Nederlandse hulpverleners hebben weinig vaardigheden met betrekking tot en kennis over het onderwerp huiselijk geweld en mishandeling bij hun cliënten
Huiselijk geweld en mishandeling (HGM) komt veel voor bij patiënten met een psychiatrische stoornis, terwijl dit maar weinig bij de hulpverlening bekend is. In deze Nederlandse studie wordt HGM gedefinieerd als “elk incident waarbij dreigend, gewelddadig of mishandelend gedrag wordt gebruikt (psychologisch, fysiek, seksueel, financieel of emotioneel) tussen volwassen die een nauwe band met elkaar hebben (partner, familielid, vriend e.d.)”. Kindermishandeling valt er dus niet onder. Doel van deze studie is het bepalen van de mate van kennis over en de zelf ingeschatte vaardigheden om met HGM bij hun patiënten om te gaan door verschillende groepen hulpverleners (n totaal=278). Een groep hulpverleners (n=64) werkte in de eerste lijn met minder ernstige problematiek. De rest (n=214) werkte in een Flexible Assertive Community Treatment team (F-ACT-team) voor mensen met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA). Alle deelnemers kregen een vragenlijst met 54 vragen opgestuurd (via LimeSurvey), met vijf secties: a. kenmerken van de respondent; b. door respondent zelf ingeschatte vaardigheden om met HGM om te gaan; c. door de respondent zelf ingeschatte kennis over HGM; d. meting van feitelijke kennis over HGM; e. houding ten aanzien van HGM bij hun patiënten. De vragenlijst werd volledig ingevuld door 65,3% van de deelnemers. De analyses werden o.a. door middel van logistische regressie analyses uitgevoerd. Over het algemeen waren de scores voor de zelf ingeschatte kennis en vaardigheden laag. De eerste lijn hulpverleners scoorden wel significant hoger dan de FACT-groep. De gemiddelde scores voor feitelijke kennis waren bij beide groepen hoger. Het niveau van de houding ten aanzien van HGM lag in het midden. Degenen die ooit een HGM-training hadden gehad scoorden veel positiever op vaardigheden (OR=3.0) en houding (OR=2.7). Er werd een negatieve associatie gevonden tussen het aantal jaren dat iemand in de ggz werkzaam was en feitelijke HGM-kennis (OR=0.97). Vooral voor hulpverleners die met mensen met EPA werken is aanvullende training nodig.
Ruijne RE, Kamperman AM, Trevillion K, Garofalo C, Jongejan FE, Bogaerts S, Howard LM, Mulder NL. (2019). Mental health professionals’ knowledge, skills and attitudes on domestic violence and abuse in the Netherlands: cross-sectional study. BJPsych Open. Mar;5(2): e29.
Trefwoord: Rehabilitatie & participatie

Mental Health First Aid (MHFA) training van ouder heeft geen effect op ervaren steun door adolescente kind met psychische problemen
De in Australië ontwikkelde MHFA-training, waarbij gewone volwassenen leren om psychische problemen bij anderen te herkennen en met personen met psychische problemen om te gaan, ook in crisissituaties, is effectief gebleken op het gebeid van kennis en houding. Onduidelijk is of de ontvangers van de steun er ook echt iets aan hebben. In deze Australische RCT kregen 384 ouders met een kind in de leeftijd tussen 12-15 jaar óf een MFTA-Youth training (14 uur) óf een EHBO-cursus van het Rode Kruis (15 uur) aangeboden (controle groep). De Youth MFTA-training is een cursus voor eerste hulp bij psychische problemen bij jongeren. Op baseline, na 1 en na 2 jaar werden de deelnemers en hun adolescente kind geïnterviewd over de vraag of het kind een psychisch probleem had en hoe de ouder daarmee was omgegaan volgens de ouder én het kind. De geestelijke gezondheid van de adolescent werd gemeten met de Strenghts and Difficulties Questionnaire (SDQ). Secundaire uitkomstmaten brachten in beeld: kennis van psychische problemen bij de ouder, de intentie om jongeren te willen helpen, stigmatiserende houding en hulp zoeken voor psychische problemen van hun kind. Tussen beide groepen was er geen significant verschil in het deel van de adolescenten dat in de loop van de tijd een psychisch probleem kreeg. Dat aandeel schommelde tussen de 8% en de 18%. Er was ook geen significant verschil in de kwaliteit van de ouderlijke steun zoals die door de adolescenten met een psychisch probleem op de verschillende meetmomenten ervaren werd. In de secundaire uitkomstmaten werden de effecten van de MFTA-Youth training in vergelijking met de controlegroep wel zichtbaar: de kennis van de ouders van psychische problemen was na 1 jaar flink toegenomen (d=0.43) en na 2 jaar ook nog aanzienlijk (d=0.26); ook het vertrouwen om een jeugdige te helpen was na 1 jaar toegenomen (d=0.26). Een mogelijke reden waarom er voor de primaire uitkomstmaat geen effect werd gevonden, kan liggen aan het gebrek aan power van de groep adolescenten met psychische problemen.
Morgan AJ, Fischer JA, Hart LM, Kelly CM, Kitchener BA, Reavley NJ, Yap MBH, Cvetkovski S, Jorm AF. (2019). Does Mental Health First Aid training improve the mental health of aid recipients? The training for parents of teenagers randomised controlled trial. BMC Psychiatry. Mar 27;19(1): 99.
Trefwoord: Rehabilitatie & participatie