Kennis delen over herstel, behandeling en
participatie bij ernstige psychische aandoeningen

 

Psychotische aandoeningen 2013

De langdurige ervaring van social defeat is een oorzaak voor het ontstaan van schizofrenie
De social defeat-hypothese is door Selten en Cantor-Graae in 2005 geformuleerd en houdt in dat de langdurige, subjectieve ervaring een buitenstaander of verliezer te zijn de dopamine-huishouding in het brein ontregelt en daardoor het risico op een psychose verhoogt. De social-defeat (SD)-hypothese gaat ervan uit dat de ervaring van social defeat of sociale exclusie de gemeenschappelijke noemer is van vijf belangrijke risicofactoren voor schizofrenie: opgroeien in grote stad, migratie, trauma in de kindertijd, lage intelligentie en drugsmisbruik. In deze Nederlandse review wordt een update gegeven van het bewijs dat sinds 2005 is gevonden over de hypothese dat langdurige blootstelling aan de ervaring van SD de associatie tussen de vijf risicofactoren en schizofrenie kan verklaren. Uit de literatuur blijkt dat de evidentie voor SD als onderliggend mechanisme voor een verhoogd risico op schizofrenie het sterkst is bij migranten (migratie ervaring) en bij personen die in hun kinderjaren een ernstig trauma hebben opgedaan (zoals mishandeling of verwaarlozing). Voor de risicofactoren opgroeien in een stedelijke omgeving, het hebben van een lage intelligentie en het misbruiken van drugs zijn de verbanden minder sterk. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de SD-ervaring tot sensitisatie van het dopamine-systeem leidt, is de evidentie hiervoor nog niet sterk genoeg (te weinig studies bij mensen). De auteurs stellen dat langdurige blootstelling aan social defeat een oorzaak is voor het ontstaan van schizofrenie. Selten JP, Van der Ven E,. Rutten BPF & Cantor-Graae E (2013). The Social Defeat Hypothesis of Schizophrenia: An Update. Schizophrenia Bulletin 39 (6), 1180-1186.Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Reeds voor een psychose zich voordoet scoren personen met een psychose hoog op de indicatoren die sociale achterstand meten
In dit Britse case–control-onderzoek werd onderzocht of personen die zich bij de GGz melden met psychotische symptomen (N=278) op dat moment, alsmede 1 én 5 jaar daarvoor op verschillende indicatoren voorsocial disadvantage (sociale achterstand/sociale achterstelling) hoger scoorden dan een controlegroep uit de locale bevolking (N=226). Er werd gevraagd naar drie indicatoren voor social disadvantage in de kindertijd (tot het zeventiende jaar): 1. Gescheiden geleefd van één (of beide) der ouders; 2. Dood van een (of beide) der ouders; 3. Opgegroeid in niet-standaard gezin. De drie indicatoren voor volwassen social disadvantagewaren: 1. Al dan niet werken; 2. Al dan niet alleen wonen; 3. Al dan niet een relatie hebben. Het bleek dat de psychose groep (cases), in vergelijking met de controle groep, 2 tot 3 keer meer kans had dat ze voor hun zeventiende jaar gescheiden was van een ouder of dat een van zijn ouders overleden was. De cases voldeden significant vaker aan twee of meer indicatoren voor volwassen sociale achterstand (OR=9.03) op het moment van de eerste psychose. Een jaar eerder was de associatie ook nog significant (OR=5.67). Zelfs vijf jaar voor de eerste psychose bleek de psychose groep meer dan tweemaal zoveel kans te hebben sociaal achtergesteld te zijn dan de controle groep (OR=2.57). Hoewel bij case-control onderzoeken causale verbanden tussen de associaties niet automatisch mogen worden gelegd, vinden de auteurs het aannemelijk dat sociale achterstand in de kindertijd een risicofactor voor het ontstaan van een psychose is. Het hebben van een stabiele relatie, samen met iemand wonen en het hebben van werk zijn beschermende factoren voor het ontstaan van een psychose. Stilo SA, Di Forti M, Mondelli V, Falcone AM, Russo M, O’Connor J, Palmer E, Paparelli A, Kolliakou A et al (2013). Social Disadvantage: Cause or Consequence of Impending Psychosis? Schizophrenia Bulletin 39 (6), 1288-1295.Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Meta-analyse: volledig en langdurig herstel van schizofrenie bij slechts 14 procent van de patiënten
Deze Finse meta-analyse en systematische review had als doel om op te sporen welk deel van de personen die schizofrenie of hieraan gerelateerde psychoses krijgen volledig hersteld. Onder volledig herstel of remissie wordt in deze studie verstaan: zowel klinisch (symptomatisch) herstel als herstel in het sociale functioneren (onafhankelijkheid op economisch- en huisvestingsgebied en weinig sociale problemen) en dat herstel moet minimaal twee jaar duren. Voor de analyses kwamen slechts 50 observationele studies uit de afgelopen 80 jaar in aanmerking. De Prefferred Reporting Items for Systematic reviews and Meta-Analyses (PRISMA) richtlijnen werden toegepast. De heterogeniteit van de studies was groot. De herstelpercentages liepen uiteen van 0% tot 58%. De mediane waarde van herstel bij de middelste 50 procent van de studies was 13,5% (gemiddelde 16,4%) bij een interkwartielafstand (IQR) tussen de 8,1% en 20%. Ongeveer één op de zeven personen met schizofrenie voldeed aan de strikte definitie van herstel. Per jaar herstelt slechts 1,4% (mediaan) van de personen met schizofrenie. Opmerkelijk is dat de herstelpercentages in de loop der tijd niet veel verschillen: de mediaan voor herstel was in de periode tot 1941: 13%, in de periode tussen 1941 en 1955: 17,7%, in de periode 1956-1975: 16,9%, in de periode 1975-1996: 9,9% en na 1996, slechts 6%. Er werden geen significante verschillen in de herstelpercentages tussen mannen en vrouwen gevonden. In vergelijking met de rijke landen waren de herstelpercentages in de lagere loonlanden significant groter. Jääskeläinen E, Juola P, Hirvonen N, McGrath JJ, Saha S, Isohanni M, VeijolaJ & Miettunen J (2013). A Systematic Review and Meta-Analysis of Recovery in Schizophrenia. Schizophrenia Bulletin 39 (6), 1296-1306. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Op het Chinese platteland werken bijna alle mensen met schizofrenie
In deze Chinees-Amerikaanse studie wordt verslag gedaan van een groot bevolkingsonderzoek onder een representatieve steekproef van vier Chinese provincies naar het vóórkomen en de leefomstandigheden (waaronder: of men al dan niet werkte) van mensen met psychotische stoornissen. Een eerste screening werd met de General Health Questionnaire (GHQ) gedaan. Degenen met een hoog risico en een deel van degenen met een matig en laag risico werden voor een tweede keer met de SCID DSM-IV-TR geïnterviewd (N=17.598). Van deze groep bleken 393 personen (=2,3%) schizofrenie (of aanverwante stoornis) te hebben (112 van hen waren nooit behandeld). Vervolgens werd met behulp van Poisson regressiemodellen vergeleken welk deel van deze mensen op het platteland (N=297) vs. degenen die in de stad woonden (N=96) werk had. Het bleek dat 94% van de personen op het platteland werk had, tegenover 27% van degenen die in een urbane omgeving woonden (Relatieve Risico: 3,27). Bijna al degenen op het platteland die werkten waren boer of visser (laag geschoold werk). Op het platteland waren minder mensen behandeld dan in de stad (43,8% vs. 64,6%). Het sociale leven op het traditionele platteland lijkt voor mensen met schizofrenie minder barrières op te werpen om aan het maatschappelijke leven deel te nemen. Yang LH, Phillips MR, Li X, Yu G, Zhang J, Shi Q, Song Z, Ding Z, Pang S & Susser E (2013). Employment outcome for people with schizophrenia in rural v. urban China: population-based study. British Journal of Psychiatry 203 (4), 272-279. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Eenvoudige interventie blijkt langdurig effectief in verbeteren van sociale netwerk van teruggetrokken patiënten met schizofrenie
Veel patiënten met schizofrenie hebben een zeer beperkt sociaal netwerk. In deze Italiaanse RCT kreeg de experimentele groep (N=173) naast de gewone behandeling, 3 tot 6 maanden steun van hulpverleners (of verwanten) om contacten met mensen buiten de behandelcentra aan te gaan. De uitkomsten werden vergeleken met die van een controlegroep (N=172) die alleen de gewone behandeling kreeg. Het gaat om groepen met de diagnose schizofrenie of aanverwante stoornis (ICD-10; F20), in behandeling bij 47 ambulante psychiatrische centra, jonger dan 45 jaar en met een sociaal netwerk dat uit minder dan 5 personen bestond. 75% van alle deelnemers woonde nog bij de eigen familie. De primaire uitkomstmaat was verbetering van het sociale netwerk zoals die werd vastgesteld op baseline, na 1 en 2 jaar met behulp van een door de onderzoekers zelf ontwikkelde vragenlijst. Daarnaast werden de Brief Psychiatric Rating Scale (BPRS), de Global Assessment of Functioning (GAF) afgenomen en het aantal gewerkte dagen en het aantal opnamen geteld alsmede het niveau van Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) vastgesteld. Een verbetering van het sociale netwerk werd na één jaar bij 25% van de controlegroep en bij 39,9% van de experimentele groep vastgesteld (OR=2,0; 95%BI 1,3 -3,1; Adj OR=2,4). Na het tweede jaar was het verschil nog steeds significant (OR=1,8; Adj OR=2,1). Patiënten bij wie een verbetering in de gebieden klinische uitkomst, werk of ADL was opgetreden hadden ook significante verbeteringen van het sociale netwerk. Terzian E, Tognoni G, Bracco R, De Ruggieri E, Ficociello RA, Mezzina R & Pillo G (2013). Social Network Intervention in Patients With Schizophrenia and Marked Social Withdrawal: A Randomized Controlled Study. Canadian Journal of Psychiatry 58 (11), 622-631. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Het sociaal-seksuele functioneren van personen met schizofrenie hangt samen met sociaal terugtrekgedrag en met de sociale waarde die men aan zichzelf toekent
Betrokken seksuele relaties zijn belangrijk voor een gezonde psychologische ontwikkeling. Volwassen personen met schizofrenie missen vaak zulke relaties. Er is weinig bekend over welke factoren personen met schizofrenie die met hun herstelproces bezig zijn helpen of hinderen in het aangaan van duurzame seksuele relaties. In deze Amerikaanse studie (N=103; schizofrenie of schizoaffectieve stoornis) werd bekeken wat het verband is tussen het sociaal-seksueel functioneren en 1. de mate van zelfstigma en 2. de kwaliteit van het persoonlijk verhaal (narratieve kwaliteit). Onder narratieve kwaliteit wordt verstaan de unieke manier waarop een persoon zin geeft aan zijn eigen leven. Sociaal-seksueel functioneren werd gemeten met de Quality of Life Scale (QOLS). Narratieve kwaliteit werd gemeten met de Indiana Psychiatric Illness Interview (IPII) en de Scale to Assess Narrative Development (STAND). Zelfstigma werd gemeten met de Internalized Stigma of Mental Illness Scale (ISMIS). Ook werd de PANNS afgenomen. Er werd gemeten op baseline, na 5 en na 12 maanden. Het blijkt dat het sociaal-seksuele functioneren van de respondenten sterk samenhangt met de mate van sociaal terugtrekgedrag (als gevolg van zelfstigma; gemeten met ISMIS) en met de mate waarin men zichzelf van sociale waarde vindt zoals gemeten met de STAND. Degenen die een persoonlijk verhaal hadden waarin men zichzelf waarde toedicht voor de eigen sociale omgeving blijken op sociaal-seksueel gebied beter te functioneren. Dit gold ook voor degenen die minder last van zelfstigma (leidend tot zichzelf terugtrekken) hadden. Er was geen verband met de ernst van de symptomen. Stewart CJ, Lysaker PH &. Davis LW (2013). Relationships of Social-Sexual Function with Stigma and Narrative Quality Among Persons with Schizophrenia Spectrum Disorders Over One Year. American Journal of Psychiatric Rehabilitation 16 (3), 198-212. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Contextuele precisie diagnose moet basis van nieuw diagnostisch systeem worden
In dit artikel van vijf Nederlandse psychiaters en psychologen, allen verbonden aan de Universiteit Maastricht, wordt een pleidooi gehouden voor een nieuw diagnostisch systeem in de psychiatrie. Het belangrijkste probleem van de psychiatrische diagnostiek is dat groepen die met een algemeen label worden geïdentificeerd, zoals schizofrenie, feitelijk weinig met elkaar gemeen hebben. En daarom heeft zo’n label weinig betekenis voor de klinische praktijk. Een nieuw diagnostisch systeem moet op de volgende drie principes gebaseerd zijn: 1. Een meer individuele benadering, gebaseerd op de wederzijdse beïnvloeding van clusters van symptomen (precisie diagnose); er zijn steeds meer aanwijzingen dat wat we ‘psychische stoornissen’ noemen clusters van symptomen zijn die met elkaar verbonden zijn door middel van een systeem van causale relaties; de veranderingen in die symptomen moeten op individueel niveau gemeten worden; 2. Er moet rekening worden gehouden met het feit dat symptomen een response op een context vormen (contextuele diagnose); 3. Er moet rekening worden gehouden met het feit dat syndromen zich in de loop van de tijd ontwikkelen en onderscheiden ontwikkelingsstadia hebben (gefaseerde diagnose). Van Os J, Delespaul P, Wigman J, Myin-Germeys I & Wichers M (2013). Psychiatry beyond labels: introducing contextual precision diagnosis across stages of psychopathology. Psychological Medicine 43(7), 1563-1567. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Een specifieke en de algemene cognitieve remediatie therapie hebben ongeveer evenveel effect op de verbetering van executieve functies bij personen met schizofrenie
Schizofrenie gaat bijna altijd gepaard met cognitieve stoornissen. Behandelingen met antipsychotica en psychologische therapieën hebben bijna geen effect op de cognitieve gebreken. De algemene Cognitive Remediation Therapy (CRT) is een programma dat o.a. het verbale, het visuospatiële en het werk-geheugen alsmede het richten van aandacht wil trainen, en zo de executieve functies van de hersenen wil verbeteren. In Frankrijk is een specifiek, op het individu gericht CRT-programma ontwikkeld: La remédiation cognitive dans la schizophrénie (RECOS). In deze Frans-Engelse RCT werd de effectiviteit van CRT (N=65) vergeleken met die van RECOS (N=73). De voornaamste uitkomstmaat zijn veranderingen in de totale score op de Behavioural Assessment of Dysexecutive Syndrome (BADS). Secondaire uitkomstmaten zijn: cognitie, gemeten met een Comprehensive Neuropsychological Battery, en klinische maten zoals symptomen (PANNS), gevoel van eigenwaarde (Rosenberg), zelfinzicht en neurocognitieve klachten (SSTICS). Er werd gemeten op baseline (T1), meteen na de therapie (T2) en na 6 maanden (T3). Het bleek dat de executieve hersenfuncties, zoals gemeten met de BADS, in beide armen van de RCT toenamen (mate van effect zoals gemeten met Cohen’s d: 0.25). Er blijken geen statistisch significante verschillen tussen de deelnemers aan CRT en RECOS: het verschil tussen de RECOS en CRT arm tussen T1 en T2 was +0.86 en tussen T1 en T3: +0.36. Ook op de secundaire uitkomstmaten scoorden de deelnemers beter, maar er waren geen significante verschillen tussen RECOS en CRT. Franck N, Duboc C, Sundby C, Amado I, Wykes T, Demily C, Launay C et al. (2013). Specific vs general cognitive remediation for executive functioning in schizophrenia: A multicenter randomized trial.Schizophrenia Research 147 (1), 68-74.Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Bij personen met schizofrenie bepaalt de mate van zelfeffectiviteit voor een groot deel of zij hun functionele potentieel in daadwerkelijk gedrag omzetten
De mondiale prevalentie van schizofrenie loopt uiteen van 0,3% tot 1,6%. In de VS worden de kosten van schizofrenie voor de samenleving op $62 miljard per jaar geschat. Verminderde functionele capaciteit bij deze groep wordt als een belangrijke barrière gezien voor maatschappelijke deelname aan o.a. regulier betaald werk en zelfstandig wonen. Er blijkt vaak een groot verschil tussen wat aan mogelijke capaciteiten wordt gemeten en wat deze personen aan daadwerkelijk gedrag laten zien. In deze Amerikaanse studie (N=97; schizofrenie en schizoaffectieve stoornis) werd bekeken in hoeverre de mate van self-efficacy (zelfeffectiveit) van invloed is op de grootte van dat verschil. Zelfeffectiviteit is het vertrouwen van een persoon in de eigen bekwaamheid om met succes een bepaalde taak te volbrengen of een probleem op te lossen. Het dagelijks functioneren werd gemeten met de Specific Level of Functioning (SLOF) schaal, de functionele capaciteit met de UCSD Performance-based Skills Assessment (UPSA-B) en de zelfeffectiviteit met de Revised Self-efficacy Scale (RSES). Met behulp van regressie analyse werd het matigende effect van zelfeffectiviteit op het verband tussen de UPSA-B scores (functionele capaciteit) en de SLOF scores (het daadwerkelijk functioneren) onderzocht. Het blijkt dat als de zelfeffectiviteits scores hoog zijn, dat er dan een significant verband is tussen de UPSA-B scores en de SLOF scores. Er werd ook een significant verband gevonden tussen hoge RSES scores en goed sociaal functioneren. Het lijkt erop dat motivationele processen voor een deel verklaren waarom personen met schizofrenie die de capaciteit hebben om goed te functioneren dat niet in de praktijk brengen. Cardenas V, Abel S, Bowie CR, Tiznado D, Depp CA, Patterson TL, Jeste DV & Mausbach BT (2013). When Functional Capacity and Real-World Functioning Converge: The Role of Self-Efficacy. Schizophrenia Bulletin 39 (4), 908-916. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Gecombineerde sociale cognitie en cognitieve remediatie training geeft significant grotere verbetering van emotionele cognitie dan cognitieve remediatie training alleen
Bij personen met chronische schizofrenie is de sociale cognitie –die o.a. bestaat uit affectieve perceptie, perceptie van sociale hints, empathie, attributiestijl en theory of mind- ernstig beschadigd. Voor een deel hangt sociale cognitie samen met het neurocognitieve functioneren. In deze Amerikaanse RCT (N=59; personen met chronische schizofrenie; voor 95% intramuraal) werd van twee interventies vergeleken in hoeverre ze de emotionele perceptie doen toenemen: 1. Cognitieve Remediatie training (CR) (N=27); 2. CR + Mind Reading: An Interactive Guide to Emotions training (MRIGE) (N=32). MRIGE is speciaal voor autisten ontwikkeld om gezichts- en emotionele herkenning te verbeteren. Beide trainingen duurden 12 weken. De primaire effectmaten waren de Facial Emotion Identification Task (FEIT) en de Facial Emotion Discrimination Task (FEDT). Daarnaast werden op baseline en na 12 weken afgenomen: de MATRICS Consensus Cognitive Battery (MCCB), de Personal and Social Performance Scale (PSP) en de Positive and Negative Syndrome Scale (PANSS). Het bleek dat de CR+MRIGE groep significant hoger scoorde dan de CR-alleen groep –toegepast werd het General Linear Mixed Model-, zowel op de FEIT (Z = 1.89 vs. Z = 0.57) als op de FEDT (Z= 1.90 vs. Z = 0.67). De CR+MRIGE groep liet niet alleen significante verbeteringen zien op emotionele identificatie en discriminatie taken, maar had ook significant grotere neurocognitieve verbeteringen op dimensies als processnelheid, aandacht en werkgeheugen dan de groep die alleen CR had gekregen. Ook het sociale functioneren van de CR+MRIGE groep ging meer vooruit dan bij de CR-alleen groep. De auteurs concluderen: neurocognitieve vaardigheid is misschien een noodzakelijke maar zeker niet voldoende voorwaarde voor sociaal-cognitieve vaardigheid. Lindenmayer JP, McGurk SR, Khan A, Kaushik S, Thanju A, Hoffman L, Valdez G, Wance D & Herrmann E (2013). Improving Social Cognition in Schizophrenia: A Pilot Intervention Combining Computerized Social Cognition Training With Cognitive Remediation. Schizophrenia Bulletin 39 (3), 507-517. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

In Engeland bieden residentiële rehabilitatiecentra voor personen met een ernstige schizofrene stoornis een kwaliteit van zorg die positieve behandelresultaten geeft
Dit artikel is een eerste verslag van het grootschalige Engelse onderzoek Rehabilitation Effectiveness for Activities for Life (REAL), dat de kwaliteit van de GGz-rehabilitatie hulpverlening, aangeboden door de NHS, in Engeland in kaart wil brengen. Het gaat om de moeilijk behandelbare 1% van de schizofrene cliënten, waar tussen de 25% en 50% van het GGz-budget aan besteed wordt. Hier wordt vooral ingezoomd op de relatie tussen de kwaliteit van behandeleenheden, de regionale mate van deprivatie, de kenmerken van de cliënten en de klinische uitkomsten. Het doel van de rehabilitatie hulpverlening is streven naar stabilisatie van de symptomen en maximaal sociaal functioneren bij de cliënten, en de autonomie stimuleren. De kwaliteit van een behandellocatie werd gemeten met de Quality Indicator for Rehabilitative Care (QuIRC), waarbij zeven behandeldomeinen gemeten worden. Daarnaast werden de managers van de behandellocaties geïnterviewd. De psychiatrische morbiditeit van een regio werd gemeten met de Mental Illness Needs Index (MINI). Naast demografische- en behandelgegevens werden bij de cliënten (N=739) de volgende meetinstrumenten afgenomen: Resident Choice Scale (RSC) (autonomie); de Manchester Short Assessment of Quality of Life (MANSA) (kwaliteit van leven); de Your Treatment and Care (YTC) (hoe wordt de zorg ervaren); General Milieu Index(GMI) (hoe ervaren cliënten het therapeutisch milieu) en de Global Assessment of Functioning (GAF). Alle NHS-gefinancierde GGZ-instellingen (n=60) hebben een rehabilitatie behandellocatie. Hiervan deed 87% mee aan dit onderzoek: in totaal 133 behandellocaties met 1809 bedden. De gemiddelde staf-cliënt ratio was 1.58. Bijna alle locaties werken met individuele behandelplannen. 70% van de cliënten gebruikt atypische antipsychotica. Er was een duidelijk verband tussen leeftijd en lagere ervaren kwaliteit, m.n. in het domein sociale inclusie. Bijna alle QuIRC-domeinen laten een positief verband zien met ervaren hulpverlening: b.v. elke 10 procentpunt toename in het domein Behandeling en Interventies deed de YTC-score met 1.56 toenemen. In het algemeen werd er een positief verband gemeten tussen de kwaliteit van de zorg en de klinische uitkomsten. Killaspy H, Marston L, Omar RZ, Green N, Harrison I, Lean M, Holloway F, Craig T, Leavey G & King M. (2013). Service quality and clinical outcomes: an example from mental health rehabilitation services in England. British Journal of Psychiatry 202 (1), 28-34. Trefwoord: Psychotische aandoeningen