Kennis delen over herstel, behandeling en
participatie bij ernstige psychische aandoeningen

 

Psychotische aandoeningen 2012

In Engeland komen psychotische ervaringen meer voor naar mate leden van etnische minderheidsgroepen in wijken wonen waar minder leden van de eigen etnische groep wonen
In West-Europa komen over het algemeen schizofrenie en andere psychoses meer voor bij allochtonen dan bij autochtonen. De incidentie van psychotische ervaringen verschilt per etnische groep. In deze Engelse studie werden data uit de representatieve survey Ethnic Minorities Psychiatric Illness Rates in the Community (EMPIRIC) (N=3444) uit 2000 gebruikt om te onderzoeken of er een verband is tussen psychotische ervaringen en de mate waarin in een wijk meer of minder personen van eenzelfde etnische groep bij elkaar wonen. Het ging om blanke Britten (N=837) als referentie groep ten opzichte van Ieren (N=733), Afro-Caraibiërs (N=694), Bengali (uit Bangladesh) (N=650), Indiërs (N=643) en Pakistani (N=724). De Psychosis Screening Quesionnaire (PSQ) werd gebruikt om de zelf gerapporteerde psychotische ervaring in het afgelopen jaar te meten. Verder werden ervaren racisme, discriminatie en chronische stress gemeten en werd gekeken naar de samenstelling van de buurten en wijken van de respondenten. Het blijkt dat voor alle etnische groepen geldt dat voor elke 10% minder dichtheid van de eigen etnische groep in een buurt, de gerapporteerde psychotische ervaring 1.07 keer toeneemt. Deze associatie geldt het meeste voor de Indiërs en het minste voor de Bengali. Degenen die in buurten wonen met meer mensen uit de eigen etnische groep ervaren minder discriminatie en krijgen meer sociale steun. Zo’n buurt werkt als een buffer tegen het ontstaan van psychoses. Deze studie levert enig bewijs dat psychotische ervaringen gedeeltelijk context-gebonden zijn, in ieder geval bij allochtone groepen. Das-Munshi J, Bécares L, Boydell JE, Dewey ME, Morgan C, Stansfeld SA & Prince MJ (2012). Ethnic density as a buffer for psychotic experiences: findings from a national survey (EMPIRIC). British Journal of Psychiatry 201 (4), 282-290. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Uit Nederlandse studie blijkt dat dakloze personen met schizofrenie een hogere kwaliteit van leven ervaren dan personen met schizofrenie die zelfstandig wonen
Uit de literatuur komt een wisselend beeld naar voren over de relatie tussen de ervaren kwaliteit van leven bij personen met schizofrenie en hun manier van wonen. In deze Nederlandse studie (in Den Haag uitgevoerd) werden de kwaliteit van leven en de zelf gerapporteerde beperkingen vergeleken tussen 76 personen met schizofrenie die zelfstandig wonen en 50 dakloze personen met schizofrenie.De volgende meetinstrumenten werden gebruikt: de World Health Organisation’s Quality of Life (WHOQOL-Bref) en de Disability Assessment Schedules (WHO-DAS-II). Het blijkt dat de daklozen een grotere kwaliteit van leven ervaren (met name scoren ze hoger op ervaren algemene gezondheid) en dat ze minder beperkingen ervaren: ze ervaren minder beperkingen in de omgang met anderen en vinden dat ze beter aan het maatschappelijke leven deelnemen dan de zelfstandig wonenden. Deze uitkomsten waren tegen de verwachting van de auteurs. Er waren geen significante verschillen in de ernst van het ziektebeeld tussen beide groepen. Het zou kunnen dat sommige personen met schizofrenie de voorkeur geven aan de autonomie van het leven op straat ten opzichte van de gecompliceerde rolverwachtingen die ervaren kunnen worden als men met schizofrenie zelfstandig in de samenleving woont. Van der Plas AGM, Hoek HW, Van Hoeken D, Valencia E & Van Hemert AM (2012).Perceptions of quality of life and disability in homeless persons with schizophrenia and persons with schizophrenia living in non-institutional housing. International Journal of Social Psychiatry 58 (6), 629-634. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Meta-analyse: sociaal cognitieve trainingen voor personen met schizofrenie hebben positieve invloed op emotionele perceptie, op symptomen en op psychosociaal functioneren
Het is duidelijk dat personen met schizofrenie vaak beperkte sociaal cognitieve vaardigheden hebben. In deze Amerikaanse meta-analyse werden gegevens geaggregeerd uit 19 studies (N=692) die de effecten hebben gemeten van gedragsmatige trainingsprogramma’s om sociale cognitie te verbeteren. De volgende vaardigheden werden gemeten: facial affect recognition (FAR) (= het kunnen herkennen van gezichtsaffecten), social cue perception (= het kunnen waarnemen van sociale hints), Theory of Mind (ToM) (= het kunnen begrijpen dat anderen in een andere mentale toestand zijn dan jezelf) en attributional style(=het vermogen correcte oorzaak-gevolg relaties tussen gebeurtenissen te leggen). Het blijkt dat voor sommige domeinen de trainingen grote effecten hebben, terwijl voor andere domeinen kleine of geen effecten konden worden geconstateerd. Alle effecten zijn uitgerekend in zuivere Cohen’s met 95% BI’s. Bij < 0.5 zijn de effecten klein, tussen d = 0.5 en 0.8 zijn de effecten matig en bij d> 0.8 zijn de effecten groot. De uitkomsten van de meta-analyse zijn: 1. Effect van training op FARd =0.71; effect op facial affect discrimination (hierbij worden vergelijkingen gemaakt tussen gezichtsuitdrukkingen) is zelfs 1.01; 2. Effect van training op social cue perception: niet significant; 3. Effect van training op ToM: d= 0.46; 4. Effect van training op attributional style: niet significant; 5. Effect van training op totaal van symptomen: d = 0.68; de effecten op de negatieve (d=0.15) en de positieve (d = 0.26) symptomen die specifiek zijn voor schizofrenie waren niet-significant. 6. Effect van training op door hulpverleners ingevulde meetinstrumenten die functioneren van cliënt in kaart brengt: d = 0.78. Vooral deze laatste verbetering in het alledaagse functioneren van zowel opgenomen als ambulante cliënten toont aan dat de sociaal cognitieve trainingen van direct belang zijn voor de sociale omgeving van de cliënten. Kurtz MM & Richardson CL (2012). Social Cognitive Training for Schizophrenia: A Meta-Analytic Investigation of Controlled Research. Schizophrenia Bulletin 38(5), 1092-1104. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Combinatie van Cognitieve Remediatie Therapie (CRT) en Functional Adaptation Skill Training (FAST) voor personen met schizofrenie levert significante verbeteringen op in het dagelijks functioneren
In deze Amerikaans-Canadese effectstudie werden de uitkomsten op cognitie, klinische symptomen, sociale en functionele competentie en dagelijks functioneren (‘real-world behavior’) van drie verschillende groepen ambulante cliënten met schizofrenie vergeleken: Groep 1 ( N=29) kreeg 12 weken Cognitieve Remediatie Therapie (CRT) gevolgd door 12 weken TAU (=Treatment As Usual); Groep 2 (N=28) kreeg 12 weken Functional Adaptation Skill Training (FAST) gevolgd door 12 weken TAU; Groep 3 (N=26) kreeg 12 weken CRT gevolgd door 12 weken FAST. Er waren drie meetmomenten: baseline, bij beëindigen interventie en 12 weken na interventie(s). Cognitief functioneren werd gemeten met de Brief Assessment of Cognition in Schizophrenia, klinische symptomen met de Positive and Negative Syndrome Scale (PANNS), sociale competentie met de Social Skills Performance Assessment, functionele competentie met de University of California San Diego Performance-Based Skills Assessment Battery en de Medication Management Ability Assessment en ‘real world behavior’ met de Specific Levels of Functioning Scale (SLFS). Met de SLFS worden o.a. sociale relaties, algemene dagelijkse activiteiten en werk competenties door een externe beoordelaar gemeten. Het blijkt dat Groep 1 –alleen CRT- weinig vooruit gang boekte in ‘real world behavior’, terwijl de leden van Groep 3 -CRT + FAST- significant hoger scoorden zowel op cognitie (Cohen’s d= 0.71) als op algemene dagelijkse activiteiten (d = 0.46) en werk competenties (d= 0.92), ook nog na 12 weken. De combinatie CRT en FAST levert verbeteringen op in de domeinen neurocognitie, functionele competenties en algemene dagelijkse competenties.Bowie CR, McGurk SR, Mausbach B, Patterson TL & Harvey PD (2012). Cognitive Remediation and Functional Skills Training for Schizophrenia: Effects on Cognition, Functional Competence, and Real-World Behavior. American Journal of Psychiatry 169 (7), 710-718. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Er zijn grote individuele verschillen in de mate waarin behoeften vervuld zijn na het eerste jaar waarin schizofrenie gediagnosticeerd is
In deze studie worden data gebruikt van de European First Episode Schizophrenia Trial (EUFEST) –naar de effectiviteit van 2de generatie antipsychotica- waaraan in totaal 1047 patiënten uit 13 Europese landen (waaronder Nederland) hebben deelgenomen. In deze deelstudie (N=334) werd bekeken hoe het beloop is in de eerste 12 maanden van de vervulde en onvervulde behoeften, zoals gemeten met Camberwell Assessment of Need (CAN) op baseline, na 6 en na 12 maanden. Specifiek wilde men klassen (groepen) van patiënten opsporen met gelijksoortige ontwikkelingen wat betreft onvervulde behoeften. Behalve de CAN werden afgenomen: de Positive and Negative Syndrome Scale (PANNS), de Manchester Short Assessment of Quality of Life (MANSA), de Calgary Depression Scale for Schizophrenia (CDSS) en de Global Assessement of Functioning (GAF). Na 12 maanden bleek 65% van de patiënten minder onvervulde wensen te hebben dan bij het begin van het onderzoek, terwijl 7,7% meer onvervulde wensen had. Bij onvervulde wensen gaat het met name om dagactiviteiten, psychotische symptomen, psychologische stress en sociale integratie. Om verschillende klassen op te sporen werd gebruik gemaakt van Latent Gold 4.5. Op basis van de mate van en de fluctiaties in onvervulde wensen werden vier klasen onderscheiden: 1. Autonome groep (50%): weinig onvervulde behoeften en lichte afname na 6 maanden; 2. Normale groep (23%): bij aanvang gemiddelde hoogte van onvervulde behoeften met een sterke daling in eerste 6 maanden; 3. Ongecompliceerde groep (17%): bij aanvang zeer veel onvervulde behoeften die na 6 maanden bijna allemaal vervuld zijn; 4. Gecompliceerde groep (10%): bij aanvang zeer veel onvervulde behoeften, na 6 maanden iets afgenomen, maar daarna weer een lichte stijging. Landolt K, Rössler W, Burns T, Ajdacic-Gross V, Galderisi S, Libiger J, Naber D, Derks EM, Kahn RS & Fleischhacker WW (2012). Unmet needs in patients with first-episode schizophrenia: a longitudinal perspective. Psychological Medicine 42 (7), 1461-1473. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

De ervaren kwaliteit van leven houdt bij personen met schizofrenie direct verband met sociale cognitie en niet met neurocognitie
In deze Nederlandse studie werd onderzocht in hoeverre sociale cognitie invloed heeft op de ervaren kwaliteit van leven (QOL) bij personen met schizofrenie. Sociale cognitie, neurocognitie, QOL en psychiatrische symptomen werden bij een groep patiënten  met schizofrenie (N=1032), een groep verwanten van de schizofrenie-patiënten (N=1011) en een controle groep ‘gezonde’ personen (n=552) gemeten. QOL werd gemeten met de World Health Organization Quality Of Life Assessment-BREF (WHOQOL-BREF); sociale cognitie met de Degraded facial affect recognition task (=emotionele perceptie) en de Hinting task (=theory of mind: het vermogen om intenties en opvattingen van anderen te kunnen duiden); neurocognitie met de Benton facial recognition test en de Wechsler Adult Intelligence Scale (WAIS III); de symptomen met de Positive and Negative Syndrome Scale (PANNS). Het blijkt dat de sociaal cognitieve scores bij schizofrenie patiënten significant slechter zijn dan bij de andere twee groepen. Verder hebben de patiënten de laagste QOL scores. Er is een duidelijke associatie tussen theory of mind en QOL bij de groep patiënten. Die is er niet bij emotionele perceptie en neurocognitieve scores. Neurocognitie was alleen bij de verwanten en de controlegroep een significante voorspeller van QOL. Patiënten met een relatieve goede theory of mind en ernstige schizofrenie-symptomen ervaren een zeer lage kwaliteit van leven. De auteurs geven hiervoor de volgende verklaring: patiënten met ernstige symptomen en een relatief intacte theory of mind zijn zich waarschijnlijk bewust van de negatieve effecten van hun ziekte op hun sociale omgeving. Maat A, Fett A-K, Derks E & GROUP Investigators (2012). Social cognition and quality of life in schizophrenia. Schizophrenia Research 137 (1-3), 212-218. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Bij personen met schizofrenie is er op de sociale domeinen een incongruentie tussen objectieve maten van functioneren en de subjectieve tevredenheid
In deze Amerikaanse studie werd bij een groep personen(N=145) met schizofrenie, die ambulante behandeling kreeg, over een periode van een jaar drie maal (baseline, na 6 en 12 maanden) het objectieve functioneren binnen en de subjectieve waardering over drie domeinen verzameld: leefsituatie, sociale functioneren, werk situatie (+ het algehele functioneren). Het functioneren in de verschillende rollen (en het algehele functioneren) werd gemeten met de Role Functioning Scale (RFS), de tevredenheid met de Satisfaction with Life Scale (SWL). Het bleek dat er een significant verband is tussen verbeteringen in de algehele tevredenheid met het leven (subjectief) en verbeteringen in het algehele functioneren (objectief). Wat betreft de drie specifieke domeinen zijn er echter verschillen. De tevredenheid over de woonsituatie nam eveneens toe als er verbetering in het zelfstandig wonen werd bereikt. Maar dit gold niet voor de domeinen werk en sociale relaties. Degenen die werk kregen of beter op het werk functioneerden (objectief), waren niet méér tevreden over hun werk (subjectief). Hoewel het sociale functioneren in de loop van de tijd toenam, waren de respondenten na een jaar niet méér tevreden over hun sociale relaties dan bij het begin van het onderzoek. Voor een deel sluiten deze uitkomsten aan bij de bestaande kennis: het is bekend dat personen met schizofrenie in de loop der tijd minder plezier gaan beleven aan sociale interacties. Wat het werk domein betreft: veel onderzoeken geven aan dat de doelgroep erg tevreden is als ze werk vinden. Het zou kunnen zijn dat die tevredenheid in de loop der tijd minder wordt. Edmondson M, Pahwa R, Lee KK, Hoe M & Brekke JS (2012). A dual change model of life satisfaction and functioning for individuals with schizophrenia. Schizophrenia Research 139 (1-3), 110-115. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Bij patiënten met een psychose blijkt de mate van sociale steun na vijf jaar sterk samen te hangen met de sociale steun na één jaar, maar niet met die bij het begin van de interventie
In deze Canadese studie (N=132) werd de sociale steun gemeten bij patiënten van het Prevention and Early Intervention Program for Psychoses (PEPP) bij het begin van de behandeling, na één jaar en na vijf jaar. Daarnaast werd gemeten: de duur van de onbehandelde psychose/ziekte (DUP= Duration of Untreated Psychosis en DUI=Duration of Untreated Illness), het algemene functioneren en functionele uitkomsten na vijf jaar. Doel van het onderzoek was om op te sporen welke van de gemeten uitkomsten de sociale steun na vijf jaar het beste kon voorspellen. De volgende meetinstrumenten werden gebruikt: Structured Clinical Interview DSM-IV (voor DUI en DUP), General Assessment of Functioning (GAF), Scale for the Assessment of Positive Symptoms (SAPS) en Life Chart Schedule (LCS)(voor symptomen en algemeen functioneren), Wisconsin Quality of Life Scale-Provider Version (WQL-P) (meet sociale steun). Het blijkt dat de gemeten sociale steun na vijf jaar significant samen hangt met de scores van de sociale steun na één jaar, en niet met de scores van sociale steun bij het begin van het traject, en ook niet met de leeftijd, de opleiding, DUP, DUI of de gemeten symptomen bij de start. De mate van sociale steun voorspelt los van alle andere parameters het algemene niveau van functioneren bij de onderzochte groep. Daarom is het volgens de auteurs van belang om al bij het begin van de behandeling interventies aan te bieden gericht op het verbeteren van de sociale relaties. Norman RMG, Windell D, Manchanda R, Harricharan R & Northcott S (2012). Social support and functional outcomes in an early intervention program. Schizophrenia Research 140 (1-3), 37-40. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Cognitieve therapie doet algemene functioneren significant toenemen bij personen met schizofrenie die op een laag niveau functioneren
In de VS hebben 2 à 3 miljoen personen schizofrenie. Per jaar zijn de directe en indirecte kosten ongeveer 63 miljard dollar. Ondanks farmacotherapeutische behandelingen blijft tussen de 35% en 50% van deze mensen last houden van rest-symptomen en bijwerkingen zoals spraakstoornissen en negatieve symptomen (alogia, avolitie, apathie, anhedonie). In deze Amerikaanse RCT werd bekeken wat de effecten zijn op het psychosociale functioneren en de negatieve symptomen van een op herstel gericht cognitieve therapie (CT). De interventiegroep (N=31) –vs. controlegroep (N=29)- kreeg 18 maanden lang eenmaal per week een persoonlijke cognitieve therapie van ongeveer 50 minuten waarin aan persoonlijke doelen en dysfunctionele gedachten, en met cognitieve en gedragsmatige technieken werd gewerkt. De primaire uitkomstmaat waren scores op de Global Assessment Scale (GAS). De secundaire uitkomstmaten waren scores op vier subschalen van de Scale for the Assessment of Negative Symptoms (SANS) en de Scale for the Assessment of Positive symptoms (SAPS). In de CT-groep was het klinisch effect op de GAS significant groter dan bij de controlegroep (binnen de CT groep was de verbetering een Cohen’s d van 1.36; binnen de controlegroep slechts een Cohen’s d van 0.06). De CT-groep had ook een significant grotere verbetering op de avolitie-schaal van de SANS én een significant grotere afname van positieve symptomen op de SAPS dan de controlegroep. Grant PM, Huh GA, Perivoliotis D, Stolar NM & Beck AT (2012). Randomized Trial to Evaluate the Efficacy of Cognitive Therapy for Low-Functioning Patients With Schizophrenia. Archives of General Psychiatry 69 (2), 121-127. Trefwoord: Psychotische aandoeningen

Cognitieve Adaptatie Training (CAT) lijkt in het kader van ACT weinig meerwaarde te hebben
De Cognitieve Adaptatie Training (CAT) poogt cognitieve gebreken bij personen met schizofrenie in het dagelijkse leven aan te pakken door eerst per persoon te testen of er neurocognitieve problemen met het uitvoeren van eenvoudige taken zijn b.v. als gevolg apathie of disinhibitie. Over een periode van zes maanden krijgt elke persoon elke 14 dagen enkele uren op de persoon afgestemde begeleiding. In deze Deense RCT werd gekeken of bij mensen die naast de CAT óók ACT kregen aangeboden (N=24) na zes maanden volgens de Global Assessment of Function (GAF) en de HoNOS sociaal beter functioneerden dan de controlegroep (N=21) die alleen ACT kreeg. Als secundaire uitkomstmaten werden ook de Camberwell Assessment of Need (CANSAS), de PANNS en de Lehman Quality of Life Interview (L-QoLI) afgenomen en het aantal opnamedagen opgevraagd. Bij het begin, na 6 en 9 maanden werden de effecten gemeten. Het bleek dat er tussen beide groepen geen significante verschillen noch op de primaire uitkomstmaten (GAF en HoNOS), noch op de secundaire uitkomstmaten te vinden waren. De auteurs denken dat het feit dat er maar zeer weinig potentiële deelnemers aan dit onderzoek wilden meewerken van invloed is geweest op de resultaten. Hansen JP, Østergaard B, Nordentoft M & Hounsgaard L (2012). Cognitive adaptation training combined with assertive community treatment: A randomised longitudinal trial. Schizophrenia Research 135 (1–3), 105–111. Trefwoord: Psychotische aandoeningen