Kennis delen over herstel, behandeling en
participatie bij ernstige psychische aandoeningen

 

Ernstige psychische aandoeningen 2015

Parentificatie door kinderen van ouders met psychische problemen kan tot verhoogde stress en tot toename van probleemgedrag leiden
Tussen de 17% en de 37% van de kinderen heeft een ouder met een psychisch probleem (KOPP-kinderen). Die kinderen lopen meer risico op het ontwikkelen van psychosociale problemen dan kinderen van ‘gezonde’ ouders. In deze Nederlandse studie (n=118 adolescenten) ligt de focus op de risicofactor parentificatie: het overnemen van (een deel van) de ouderlijke rol door het kind. Onderzocht werd het directe én indirecte (via stress) effect van parentificatie op internaliserend en externaliserend probleemgedrag. Adolescente parentificatie werd gemeten met de Parentification Questionnaire-Youth (PQ-Y), probleemgedrag met de Youth Self-Report (YSR) en ervaren stress met de Perceived Stress Scale (PSS-4). Er werd gemeten op baseline en na 1 jaar. In de analyses werd gebruik gemaakt van structural equation modeling (SEM). Uit de cross-sectionele analyse kwam naar voren dat meer parentificatie direct geassocieerd wordt met zowel meer internaliserende (β=.25, p=.004) als meer externaliserende (β=.30, p=.001) problemen. Parentificatie was positief gerelateerd aan ervaren stress, en ervaren stress was positief gerelateerd aan zowel internaliserende als externaliserende problemen. Parentifiactie had een significant indirect effect op internaliserende (ES=.15, p=.005) en externaliserende problemen (ES=.09, p=.022) via ervaren stress. Na 1 jaar waren de resultaten anders: parentificatie voorspelde wel direct internaliserende problemen (β=.25, p=.012), maar dat gold niet voor de externaliserende problemen (β=.12, p=.173). Na 1 jaar was er ook geen indirect verband tussen ervaren stress en beide vormen van probleemgedrag. Voor adolescenten die bij een ouder met psychische problemen wonen kan parentificatie extra stress opleveren.
Van Loon LM, Van de Ven MO, Van Doesum KT, Hosman CM, Witteman CL. (2015). Parentification, Stress, and Problem Behavior of Adolescents who have a Parent with Mental Health Problems. Fam Process. Online: 24 Jul .2015. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Het Amerikaanse verzekeringsstelsel vergoed hulp voor psychische stoornissen nog steeds beduidend minder dan hulp voor somatische ziekten
In deze korte Amerikaanse beschouwing wordt een beeld geschetst over hoe in de afgelopen decennia, ondanks pogingen daar verandering in aan te brengen, de Amerikaanse patiënt voor behandelingen voor psychische problemen nog steeds geen adequate vergoedingen van de zorgverzekeraars krijgt. Ondanks de Affordable Care Act – Obama care-, kunnen veel mensen met een laag- of middeninkomen de kosten van een psychiatrische behandeling niet betalen omdat er altijd eigen bijdragen worden gevraagd of omdat de hulpverleners hun verzekering niet accepteren. Of men kan geen geschikte behandelaar vinden. In het Amerikaanse zorgverzekeringsbeleid blijft het stigma voor geestelijke gezondheidsproblemen voortduren. Bijna 30% van de deelnemers aan een survey (uit 2015) van de National Alliance on Mental Illness gaf aan dat hun zorgverzekeraar weigerde in te stemmen met de aanbevolen behandeling. Dat is twee maal zoveel als voor aanbevolen somatische behandelingen. Uit een rapport van de CDC bleek dat ernstige psychologische distress bij 1,2% van de rijkere (en goed verzekerde) huishoudens voor kwam en dat de incidentie van psychische problemen bij huishoudens op en onder de armoedegrens (en vaak niet verzekerd) maar liefst 8,7% bedroeg. De auteur stelt dat depressie en schizofrenie net zulke reële ziektes zijn als kanker en diabetes en dus ook op dezelfde wijze verzekerd moeten zijn.
Cohn J. (2015). The Long and Winding Road of Mental Illness Stigma. Milbank Q. 93(3), 480-3. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Cognitieve Remediatie Therapie (CRT) is niet effectief voor personen met schizofrenie
Uit een meta-analyse uit 2010 bleek dat CRT op allerlei cognitieve maten positieve effecten had bij personen met schizofrenie. Uit een grote, degelijke RCT uit hetzelfde jaar kwamen echter negatieve bevindingen. In deze Spaanse 3-armige RCT (n=130) werden personen met chronische schizofrenie at random toegewezen aan: 1. een groep die computergestuurde CRT (FesKits) kreeg aangeboden (CRT-groep) (n=43); 2. een groep die even vaak als groep 1 een cursus in computervaardigheden kreeg aangeboden (CC) (n=44); 3. een groep die Treatment-As-Usual kreeg (TAU) (n=43). De interventies duurden 6 maanden. CRT en CC sessies werden twee maal per week voor 45 minuten aangeboden. Op baseline en na de interventies werden de primaire uitkomstmaten –die executieve functies en geheugen meten- afgenomen: de Behavioral Assessment of the Dysexecutive Syndrome (BADS) en de Rivermead Behavioral Memory Test (RBMT). De secundaire uitkomstmaten waren: de California Performance Skills Assessment (UPSA), de Wechsler Memory Test (WMS III), de Stroop Test, de Trail Making Test en de FAS test. Daarnaast scoorden hulpverleners de executieve functies en het geheugen per deelnemer. In vergelijking met de CC-groep en TAU-groep bleek dat de deelnemers aan de CRT-groep wel vooruit gingen op de taken waarop concreet getraind was, maar dat deze verbetering niet terug te vinden was op de primaire en secundaire uitkomstmaten. Ook zagen de hulpverleners weinig verbeteringen in het dagelijks functioneren bij de CRT-groep. Uit deze studie blijkt dus dat CRT niet effectief is bij schizofrenie.
Gomar JJ, Valls E, Radua J, Mareca C, Tristany J, Del Olmo F, Rebolleda-Gil C, Jañez-Álvarez M et al. (2015). A Multisite, Randomized Controlled Clinical Trial of Computerized Cognitive Remediation Therapy for Schizophrenia. Schizophrenia Bulletin 41(6), 1387-96. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

CORAL-beslishulp is waardevol voor personen met een psychische aandoening bij keuze om deze aandoening te verzwijgen of erover openheid te geven
Beslishulpen zijn op evidentie gebaseerde instrumenten om mensen te helpen om een weloverwogen keuze te maken over welke behandeling het beste bij de eigen situatie past. De Conceal Or ReveAL (CORAL) beslishulp is in de UK ontwikkeld om cliënten met (ernstige) psychische problemen bij te staan bij de overweging of de (potentiële) werkgever al dan niet, en zo ja op welk moment, ingelicht moet worden over de psychische stoornis van de cliënt. Sinds de Equality Act (2010) mogen werkgevers in de UK niet meer expliciet naar de gezondheidstoestand van sollicitanten vragen. Toch blijft voor personen met psychische problemen het dilemma over het al dan niet openheid geven over de eigen psychische problemen bestaan. In dit Britse kwalitatieve onderzoek (n=13) werd onderzocht op welke wijze de CORAL werkt en in hoeverre de CORAL invloed heeft op beslissingen over het al dan niet in de werkomgeving openheid geven over de eigen psychische problemen. Uit de interviews kwamen de volgende thema’s naar voren: 1. doordat de CORAL hielp om de voor- en nadelen van openheid geven op een rij te zetten werd de beslishulp als waardevol ervaren; 2. door de CORAL gingen de cliënten nadenken over wat er zou kunnen gebeuren als ze de werkvloer over hun psychische aandoening zouden informeren; hierbij bleek van belang welke ervaringen (vaak discriminatie) men in het verleden had gehad met het openheid geven; 3. het gevoel van eigenwaarde en het eigen waadensysteem kwamen aan de orde; 4. het gevoel al dan niet controle te hebben over wanneer en hoeveel openheid er gegeven wordt heeft invloed op het daadwerkelijke gedrag. Uit de interviews komt naar voren dat de CORAL gebruikt moet worden in combinatie met de ondersteuning van een arbeidsbegeleider. Nederlandse vertaling van de CORAL: https://www.kenniscentrumphrenos.nl/wp-content/uploads/2015/06/CORAL-NL_def.pdf
Lassman F, Henderson RC, Dockery L, Clement S, Murray J, Bonnington O, Farrelly S & Thornicroft G (2015). How does a decision aid help people decide whether to disclose a mental health problem to employers? Qualitative interview study. Journal of Occupational Rehabilitation 25(2), 403-11. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Cognitieve Remediatie Training (CRT) geeft significante verbeteringen op gebied van aandacht, werkgeheugen en empathie bij personen met schizofrenie
Uit een recente meta-analyse bleek dat CRT op algemene cognitieve maten geringe duurzame verbeteringen op gang kan brengen. De verbeteringen treden vooral op als CRT samen met andere rehabilitatie interventies wordt aangeboden. In deze Amerikaanse RCT (n totaal=64; schizofrenie of schizoaffectieve stoornis) kregen alle deelnemers voor een periode van 4 tot 6 maanden een sociale vaardigheidstraining (SVT) aangeboden. De interventiegroep kreeg in die periode daarnaast een uitgebreide, computerondersteunde CRT aangeboden. De controlegroep kreeg in diezelfde periode een computervaardigheidstrainingsprogramma aangeboden. Op baseline en na 6 maanden werden neurocognitieve veranderingen gemeten met de Digit Span (is subtest van de WAIS III en IV), de Penn Continuous Performance Test (PCPT), de California Verbal Learning Test –II (CVLT-II) en de Penn Conditional Exclusion Test (PCET). Veranderingen in sociale vaardigheden werden gemeten met de Social Skills Performance Assessment (SSPA). Ook werd de Quality of Life Scale-Brief (QLS-B) afgenomen. Het bleek dat de CRT-interventiegroep significant beter scoorde op de neurocognitieve maat voor aandacht en werkgeheugen (gemeten met de Digit Span; d=.46) dan de controlegroep. Op de andere cognitieve maten (visuele alertheid, verbaal geheugen, probleemoplossend vermogen) was er geen significant verschil tussen beide groepen. Dat gold ook voor de uitkomsten op de maten voor psychosociaal functioneren en sociale vaardigheden, behalve voor de subscore voor empathie waarbij de CRT-groep significant meer vooruit was gegaan dan de controlegroep.
Kurtz MM, Mueser KT, Thime WR, Corbera S & Wexler BE (2015). Social skills training and computer-assisted cognitive remediation in schizophrenia. Schizophrenia Research 162(1-3), 35-41. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Meta-analyse: voor personen met ernstige psychische aandoeningen is Cognitieve Remediatie Training gunstig voor hun werkuitkomsten
Slechts een klein deel van de mensen met ernstige psychische problemen heeft werk. Uit onderzoek blijkt dat het vinden en behouden van werk bij deze groep gedeeltelijk samenhangt met cognitieve beperkingen. Computer-ondersteunde cognitieve remediatie (CACR) is een interventie gericht op het verbeteren van de cognitieve functies. Uit enkele meta-analyses en systematische reviews is gebleken dat CACR het cognitieve functioneren bij personen met schizofrenie kan doen verbeteren. Het doel van deze Chinese meta-analyse was om specifiek te kijken naar de effectiviteit van CACR op het vinden en behouden van werk (zowel regulier betaald werk als gesubsidieerde werkplekken). Er werden 8 RCT’s en 1 prospectief gecontroleerde studies gevonden die aan de zoekcriteria voldeden (totale n=740; studies uit VS, Duitsland, Italië, Singapore en Japan). De primaire uitkomstmaat was arbeidsparticipatie. De secundaire uitkomstmaten waren: totaal aantal gewerkte dagen in een jaar en de totale verdiensten in een jaar. De CACR-interventie duurde van 2 maanden tot 2 jaar en de follow-up varieerde van 1 tot 3 jaar. Het risicoverschil tussen het totaal van de groepen bedroeg 0.20: dit betekent dat de interventiegroep 20% meer arbeidsdeelname (werk) had dan de controlegroep (BI= 5%-35%). De secundaire uitkomstmaten werden uitgerekend met behulp van mean differences. Per jaar werkte de interventiegroep 19,5 dag meer dan de controlegroep en verdiende (omgerekend) US$ 959 meer per jaar. Overigens: bij de laatste subgroepanalyses was er geen significant verschil tussen de groepen. Dit wordt niet expliciet door de auteurs vermeld. Ook kwam naar voren dat langere CACR-trainingen niet effectiever waren dan korte.
Chan JY, Hirai HW, Tsoi KK. (2015). Can computer-assisted cognitive remediation improve employment and productivity outcomes of patients with severe mental illness? A meta-analysis of prospective controlled trials. Journal of Psychiatric Research 68 (Sep), 293-300.Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Nieuwe Cognitieve Remediatie Training (CRT) veelbelovend met betrekking tot verbetering episodisch geheugen bij jongvolwassenen met schizofrenie
Cognitieve beperkingen zijn een belangrijk kenmerk van schizofrenie. Ze zijn vaak al vanaf het begin van de stoornis aanwezig. In deze Canadese haalbaarheidstudie (n=3; 24-26 jaar) werd getest in hoeverre een nieuw Engels CRT-programma, Computerised Interactive Remediation of Cognition Training for Schizophrenia (CIRCuiTS), het visueel episodisch geheugen en andere cognitieve domeinen (zoals aandacht, werkgeheugen, executieve functies) bij jongeren met een vroege schizofrenie kan verbeteren. Op baseline en na 40 sessies CIRCuiTS werd het neurpsychologische, klinische en sociale functioneren gemeten met o.a.: de California Verbal Learning Test-II (CVLT-II), de Rey Complex Figure Test (RCFT) (meet visueel episodisch geheugen), de Wechsler Adult Intelligence Scale (WAIS-III), de Continuous Performance Test (CPT-II), de Stroop test (D-KEFS), de Spatial span, de Digit span, de Wisconsin Card Sorting Test, de Positive and Negative Syndrome Scale (PANSS), de Subjective Scale to Investigate Cognition in Schizophrenia (SSTICS), de Global Assessment of Functioning (GAF), de Self-esteem Rating Scale (SRS). Om veranderingen te meten werd de Reliable Change Index (RCI) berekend. De RCI is vergelijkbaar met de Z-scores. Het bleek dat alle drie de casussen vooruit gingen op hun visueel of verbaal episodisch geheugen (A: RCI=1.60; B: RCI=1.63; C: RCI=3.19), waarbij alleen de toename van casus C statistisch significant was. Ook op de andere cognitieve uitkomsten waren er, per geval verschillend, verbeteringen waar te nemen. B.v. casus A verbeterde significant op het onderdeel executief functioneren voor probleemoplossen (RCI=-2.96). Ook op de klinische uitkomstmaten waren er, weer per geval verschillend, verbeteringen. B.v. bij casus C gingen de positieve symptomen op PANSS significant naar beneden (RCI=-2.45).
Cellard C, Reeder C, Paradis-Giroux AA, Roy MA, Gilbert E, Ivers H, Bouchard RH, Maziade M, Wykes T. (2015). A feasibility study of a new computerised cognitive remediation for young adults with schizophrenia. Neuropsychological Rehabilitation Mar 10, 1-24. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Hoewel algemeen toegepast in de VS, is de werkzaamheid van permanent ondersteunende huisvesting voor daklozen nog niet onomstotelijk bewezen
In de VS zijn er ongeveer 600.000 daklozen, vaak met psychische problemen. Sinds 2013 wordt door het Amerikaanse Department of Housing and Urban Development permanente ondersteunende huisvesting (meestal in de vorm van Housing First) voor daklozen met ernstige psychische aandoeningen (inclusief verslavingen) bij voorkeur aanbevolen en gesubsidieerd. Hierbij krijgen dakloze cliënten zonder voorwaarden vooraf permanente huisvesting aangeboden en kunnen ze gebruik maken van case management en andere vormen van ondersteuning. Dit beleid is ingezet op basis van uitkomsten van onderzoeken waarbij het Housing First model werd geïmplementeerd. In dit literatuuronderzoek worden alle recente RCT’s en quasi experimentele studies die in de VS zijn gehouden geanalyseerd (n=14). Het gaat om studies waarbij de effecten van permanent ondersteunende huisvesting op de uitkomstmaten huisvesting en mentale gezondheid werden gemeten. Uit alle studies komt naar voren dat de meerderheid van de deelnemers van de experimentele huisvestingsprogramma’s met case management na een jaar nog in hun woning waren. Na een nadere analyse komt de auteur evenwel tot de conclusie dat aan al deze studie één of meer beperkingen kleven: er is vaak een grote mate van drop out (tussen de 24% en 56%) waardoor de power afneemt en onderlinge vergelijkingen moeilijk worden; er is vaak sprake van selectie en response bias; de huisvestingsprogramma’s zijn vaak niet goed beschreven en vaak is niet duidelijk in welke mate van betrouwbaarheid de programma’s geïmplementeerd zijn; ook zijn de controle interventies vaak niet goed beschreven. De werkzaamheid van permanente ondersteunende huisvesting voor daklozen is in de VS nog niet afdoende bewezen.
Benston EA. (2015). Housing Programs for Homeless Individuals With Mental Illness: Effects on Housing and Mental Health Outcomes. Psychiatric Services 66 (8), 806-16. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Korte intensieve intervaltrainingen hebben een positief effect op zowel lichamelijke als psychische gezondheid van mensen met schizofrenie
Door fitness trainingen kan de geestelijke en cardiovasculaire gezondheid bij mensen met psychiatrische problemen verbeteren. Vaak is deze doelgroep moeilijk tot regelmatige lichamelijke oefeningen te bewegen. In deze Zuid-Koreaanse studie (n=18) werd een groep ambulante cliënten met chronische schizofrenie voor een periode van 8 weken, 3 maal per week een korte, intensieve interval training (IIT) aangeboden en werd gekeken wat de effecten waren op een aantal fysieke en mentale indicatoren. De training bestond uit een warming-up van 5 minuten, gevolgd door vijf korte inspanningen waarbij de hartslag wordt opgevoerd tot 85% à 95% van de maximale hartslag, gevolgd door iets langere perioden van rust. Elke cyclus duurt ongeveer 4 minuten. Na 15 minuten is er de cooling down. Op baseline en na de 8 weken werden de volgende items gemeten: bloeddruk, hartslag in rusttoestand, gewicht, BMI, taille- en heupomtrek, verhouding tussen taille en heup, gemiddelde slagaderlijke bloeddruk (MAP) en polsdruk. Daarnaast werd de PANNS afgenomen, evenals de Beck Depression Inventory (BDI) en de Beck Anxiety Inventory (BAI). Het bleek dat over het algemeen de IIT een positief effect had op de lichamelijke en mentale gezondheid van de deelnemers. Er was een significante afname in lichaamsgewicht, BMI en de hartslag in rusttoestand. De MAP en de diastolische bloeddruk namen significant toe. De heup- en tailleomtrek nam wel af, maar niet significant. Opmerkelijk is dat de negatieve symptomen zoals gemeten met de PANNS significant afnamen (van 31.17 naar 27.78 punten), evenals de depressieve symptomen (gemeten met de BDI) en de angstsymptomen (gemeten met de BAI).
Wu MH, Lee CP, Hsu SC, Chang CM & Chen CY (2015). Effectiveness of high-intensity interval training on the mental and physical health of people with chronic schizophrenia Neuropsychiatric Disease and Treatment, 11, 1255-1263. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Evaluaties van onderzoeken naar de effecten van gezondheidsbevorderende programma’s voor patiënten met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) nemen te weinig relevante uitkomstmaten mee
De somatische gezondheidsstatus van mensen met EPA is veel slechter dan die van de algemene bevolking. Voor een deel is de somatische gezondheid van EPA te verbeteren. Gezondheidsbevorderende programma’s voor deze doelgroep blijken niet alle relevante uitkomstmaten mee te nemen (er wordt niet uniform geëvalueerd) en de verbanden tussen bepaalde gedragingen (risicofactoren) en bepaalde klachten zijn vaak niet helder. In dit Nederlandse artikel wordt een theoretisch en praktisch kader ontwikkeld dat gebruikt kan worden als uitgangspunt voor gezondheidsbevorderende programma’s voor EPA. Om de effecten van deze programma’s te kunnen evalueren moet in ieder geval het domein van de cardio-metabolische risicofactoren in beeld komen. Die worden gemeten met de uitkomstmaten voor BMI, bloeddruk, cholestorol en HbA1c. De volgende factoren kunnen direct van invloed zijn op de cardiometabolische risicofactoren (en indirect op het ontstaan van ziektes) óf direct bijdragen aan het onstaan van een aantal somatische ziektes (zoals seksueel dysfunctioneren; extrapiramidiale symptomen; gastro-oesofageale reflux; gebitsproblemen; diabetes; cardiovasculaire ziektes; osteoporosis; verminderde longfunctie): bijwerkingen van medicatie; de kwetsbaarheid van een persoon met EPA; voedingspatroon; roken en lichamelijke oefeningen. Het domein van de bijwerkingen van medicatie moet zich niet beperken tot parkinsonisme en tardieve dyskinesie. Ook de volgende domeinen moeten gemeten worden: algemene gezondheid, kwaliteit van leven en algemeen functioneren. V
an Hasselt FM, Krabbe PF, Postma MJ & Loonen AJ (2015). Evaluation of health promotion programmes in severe mental illness: theory and practice.
International Journal of Methods Psychiatric Research 24(1), 83-97. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Stakeholders in de zorg voor patiënten met EPA: fysieke gezondheid van EPA kan verbeteren als de huisarts een meer centrale rol krijgt en als alle betrokken hulpverleners beter gaan samenwerken
De slechte lichamelijke gezondheid van patiënten met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) wordt gedeeltelijk veroorzaakt door bijwerkingen van medicatie, leefstijlfactoren en organisatie van de zorg. In dit exploratieve Nederlandse onderzoek werd met behulp van een aangepaste Delphi methode onder de belangrijkste stakeholders (patiënten met EPA (n=10), familieleden (n=13), GGZ-hulpverleners (n=8) en huisartsen (n=5)) gepoogd tot consensus te komen over beleidsaanbevelingen die in de dagelijkse praktijk geïmplementeerd kunnen worden ter verbetering van de lichamelijke gezondheid van patiënten met EPA. De belangrijkste barrière die genoemd werd was onvoldoende samenwerking tussen GGZ-hulpverleners en huisartsen. Over de volgende beleidsaanbevelingen werd consensus bereikt: 1. De samenwerking tussen alle hulpverleners moet verbeteren (b.v. door het uitwisselen van telefoonnummers); 2. De hulpverleners moeten worden bijgeschoold over de specifieke medische risico’s die patiënten met EPA lopen. 3. De huisartsen moeten de regie en het overzicht over de lichamelijke gezondheid van de patiënten met EPA houden en zijn verantwoordelijk voor preventie en behandeling van somatische ziektes. De rol van de GGZ-hulpverleners moet  zijn: het inschatten van de capaciteit van de patiënten met EPA om voor zichzelf te zorgen en de voor hen noodzakelijke zorg te organiseren, de patiënten ondersteunen in het volgen van een gezonde leefstijl en de gezondheidsrisico’s in verband met psychiatrische medicatie in de gaten houden.
Van Hasselt FM, Oud MJ & Loonen AJ (2015). Practical recommendations for improvement of the physical health care of patients with severe mental illness. Acta psychiatrica Scandinavica 131(5), 387-96. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Deelnemers aan Housing First projecten met ondersteuning ervaren na 18 maanden significant vaker positieve veranderingen in hun leefomstandigheden
Om dakloosheid onder personen met psychische stoornissen en verslavingen in Noord-Amerika aan te pakken is Housing First ontwikkeld. Daarbij wordt aan de cliënten op de eerste plaats huisvesting geboden, al dan niet met begeleiding. In deze Canadese RCT werd voor een periode van 18 maanden gekeken welke veranderingen deelnemers aan Housing First (HF) (n=119), plus Assertive Community Treatment (ACT) of Intensive Case Management (ICM), op 13 levensgebieden doormaakten in vergelijking met een controle groep die Treatment as Usual (TAU) (n=78), in ieder geval geen huisvesting, kreeg. De HF-groep met veel hulpvragen kreeg ACT, de HF-groep met weinig hulpvragen kreeg ICM aangeboden. De data werden verzameld middels kwalitatieve interviews in vijf Canadese steden op baseline en na 18 maanden. In de interviews kwamen o.a. de volgende domeinen aan de orde: veranderingen in het leven algemeen, werk, opleiding, algemene en geestelijke gezondheid, middelengebruik, sociale relaties, financiële situatie. Er werden drie categorieën gebruikt om de ervaringen in te delen: positief, neutraal of negatief. Het bleek dat de deelnemers aan HF-projecten significant vaker positieve levensveranderingen rapporteerden dan de controle groep (61% vs. 28%). De controlegroep rapporteerden meer dan vier keer zo vaak negatieve veranderingen dan de HF-groep (36% vs. 8%). Factoren die gerelateerd zijn aan positieve veranderingen waren o.a.: goede en stabiele huisvesting, meer controle over middelengebruik, positieve relaties en sociale steun, meer gewaardeerde sociale rollen. De ACT of ICM ondersteuning bleek vooral in de beginperiode van groot belang om terugval (in dakloosheid) in de HF-groep te voorkomen.
Nelson G, Patterson M, Kirst M, Macnaughton E, Isaak CA, Nolin D, McAll C, Stergiopoulos V, Townley G, MacLeod T, Piat M & Goering PN (2015). Life changes among homeless persons with mental illness: a longitudinal study of housing first and usual treatment. Psychiatric Services 66(6), 592-7. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Bij deelnemers aan Housing First projecten die bij aanvang dagelijks middelen gebruikten blijkt dat gebruik na twee jaar nog niet te zijn afgenomen
Er is steeds meer bewijs dat Housing First (HF) efectief is voor daklozen met psychische problemen. In de VS, Canada, Frankrijk en Australië wordt HF op grote schaal ingezet om chronische dakloosheid op te lossen. Het is echter nog niet bewezen of HF bij de deelnemers daadwerkelijk tot minder alcohol en/of drugsgebruik leidt. Dit is van belang omdat middelengebruik bij daklozen een grote risicofactor op terugval is. Deze Canadese studie (n-totaal=497) doet verslag van twee parralle RCT’s (in Vancouver) met metingen na 12 en 24 maanden. De groep daklozen werd eerst opgesplitst in een groep ‘met grote zorgvraag (GH)’ versus een groep ‘met matige zorgvraag (MH)’. De MH-groep werd at random opgedeeld in een groep die een onafhankelijke HF-woning plus Intensive Case Management (ICM) kreeg (n=100) òf Treatment As Usual (MH-TAU) (n=100). De GH-groep werd at random opgedeeld in drie groepen: a. een groep die een HF-woning plus Assertive Community Treatment (ACT) (n=90) kreeg; b. een groep die werd ondergebracht in een HF-groepswoning met gemeenschappelijke voorzieningen en permanente begeleiding (CONG) (n=107); c. Treatment As Usual (GH-TAU) (n=100). Dagelijks middelengebruik werd na 12 en 24 maanden vastgesteld met behulp van de Maudsley Addiction Profile. Daarnaast werd gemeten: individuele historie van dakloosheid, psychiatrische diagnose, ernst van de symptomen, comorbide ziekten en lengte van stabiele huisvesting. In vergelijking met de GH-TAU groep, verschilden na 24 maanden noch de CONG-groep (Adjusted OR=0.73), noch de ACT-groep (AOR=1.22) significant op dagelijks middelengebruik. De MN-TAU groep verschilde niet significant van de ICM-groep (AOR=0.78). Housing First blijkt weing invloed te hebben op het dagelijks gebruik van alcohol of drugs.
Somers JM, Moniruzzaman A & Palepu A (2015). Changes in daily substance use among people experiencing homelessness and mental illness: 24-month outcomes following randomization to Housing First or usual care. Addiction 110(10), 1605-14. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Het Canadese Housing First project At Home/Chez Soi is zeer modelgetrouw ingevoerd
In Canada is tussen 2009 en 2013 in vijf grote steden het At Home/Chez project, dat met behulp van de Housing First (HF) principes de dakloosheid onder personen met een psychische problemen probeert op te lossen, als demonstratieproject ingevoerd. De belangrijkste principes van HF zijn: uitgangspunt is: eerst huisvesting aanbieden, dan pas eventueel hulp zorg aanbieden; de dakloze wordt zo veel mogelijk huisvesting geboden die hij/zij wil; behandeling/begeleiding staat los van huisvesting, maar ACT en ICM worden wel actief aangeboden; er wordt vanuit de herstelfilosofie behandeld. In dit Canadese artikel in hoeverre HF modelgetrouw op 10 verschillende locaties was geïmplementeerd en welke belemmerende en bevorderende factoren van invloed zijn op modelgetrouwe invoering. Met behulp van de Pathways HF Fidelity Scale (een 4-puntsschaal) werden kwantitatieve implementatiedata verzameld. Kwalitatieve informatie over de implementatie werd verzameld door 36 interviews met belangrijke actoren middels 17 focusgroepen. In het eerste jaar van het implementatieproces bleek de modelgetrouwheid goed (3.47), terwijl die in het derde jaar nog opliep to 3.62. Uit de interviews kwam naar voren dat de volgende factoren de implementatie bevorderden: expertise bij personeel; samenwerking met andere diensten en gericht leiderschap. Belemmerende factoren waren: veel verloop in personeel; moeilijk geschikte huisvesting voor deelnemers kunnen vinden; sociaal isolement van deelnemers; beperkte ondersteuning begeleid werken en/of leren.
Macnaughton E, Stefancic A, Nelson G, Caplan R, Townley G, Aubry T, McCullough S, Patterson M, Stergiopoulos V, Vallée C, Tsemberis S, Fleury MJ, Piat M & Goering P. (2015). Implementing Housing First Across Sites and Over Time: Later Fidelity and Implementation Evaluation of a Pan-Canadian Multi-site Housing First Program for Homeless People with Mental Illness. American Journal of Community Psychology 55(3-4), 279-91. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Mate van binding van cliënt met bemoeizorgteam wordt voor deel voorspeld door de ernst van de problemen en wanneer eerste contact wordt gelegd
De relatie of binding die een cliënt met de hulpverlening heeft is van essentieel belang voor het al dan niet slagen van interventies. In deze Nederlandse studie (n=523; cliënten van 3 bemoeizorgteams) werd onderzocht of met routineus verzamelde data een voorspelling kon worden gedaan in hoeverre bij bemoeizorgteams aangemelde cliënten (vaak zorgmijders) zich betrokken voelen bij de hulpverlening. Potentiële cliënten worden meestal door niet-(ggz)-professionals naar de bemoeizorgteams verwezen (familie, vrienden, woningcorporaties, huisartsen). De bemoeizorgteams pogen contact met de cliënten te maken en hen voor te bereiden om hulp te zoeken bij de reguliere hulpverlening. Om de mate van relatie (binding) te meten werd binnen enkele weken nadat contact was gemaakt de Engagement Measure door een hulpverlener ingevuld. De routineus verzamelde data zijn: geslacht, leeftijd, kinderen hebben, een partner hebben, probleemgebieden (waarom verwezen), wie heeft verwezen, hoeveel tijd zat er tussen aanmelding en eerste gesprek. Bij elke cliënt werd ook de Health of the Nation Outcome Scales (HoNOS) afgenomen: hiermee werden allerlei soorten problemen in kaart gebracht. Het bleek dat 25% van de cliënten ernstige tot zeer ernstige problemen met woonomstandigheden hadden (dakloos of bijna dakloos). De gemiddelde score op de Engagement Measure was 40.65: dat is een redelijk hoge mate van binding. Via multiple regressie analyse bleken de volgende indicatoren voorspellend voor een geringe binding: ernstige problemen volgens de HoNOS (β=-0.271, p<0.001), het aantal weken voordat het eerste gesprek plaats vond (β=-0.143, p=0.004), volgens de verwijzer heeft de cliënt psychiatrische problemen (β=-0.110, p=0.017) en volgens de verwijzer veroorzaakt de cliënt ernstige overlast (β=-0.114, p=0.007). Dit model verklaarde voor 19,2% de variantie in binding (relatie).
Roeg D, Van de Goor I & Garretsen H (2015). Predicting Initial Client Engagement with Community Mental Health Services by Routinely Measured Data. Community Mental Health Journal 51 (1), 71-78. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Het inzetten van zelfmanagement modellen om de algemene medische toestand van personen met een ernstige psychische aandoening (EPA) te verbeteren zijn veelbelovend
De medische conditie van EPA is over het algemeen veel slechter dan die van de algemene bevolking. Velen van hen lijden aan o.a. diabetes, hoge bloedruk, hyperlipidemie of overgewicht. Er is grote behoefte aan hulpverleningsmodellen die toegang tot en gebruik van medische voorzieningen door EPA verbeteren. Volgens de Amerikaanse Patient Protection and Afforable Care Act (ACA), ‘Obamacare’, moeten de GGz en de algemene medische hulpverlening integreren. Toch zal volgens de auteurs alleen een combinatie van een bottom-up en een top-down strategie de gewenste veranderingen tot stand brengen. In deze Amerikaanse systematische review werden de studies opgespoord en geanalyseerd waarbij zelfmanagement trainingen voor EPA zijn ingezet om de algemene gezondheid en de toegang toe de gezondheidszorg te verbeteren. Er werden slechts 14 relevante studies gevonden. Er werd gekeken naar verbeteringen op het gebied van zelfmanagement als gevolg van een interventie, hoewel in zes studies dit niet expliciet werd gemeten. Vijf van de acht studies die dit wel hadden gemeten vonden een significante verbetering in het zelfgerapporteerde zelfmanagement. Alle studies hadden informatie over de invloed van de interventie op de medische toestand. In tien studies werd de Short-Form Health Survey (SF-36) of een variant gebruikt als maat voor gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven. Een groot deel van die studies zag een verbetering. Sommige studies gebruikten objectieve maten zoals bloeddruk, cholesterol of de hemoglobine Alc test. De zelfmanagent interventies waarbij ervaringsdeskundigen of professionele hulpverleners worden ingezet zijn meestal effectief. Door de grote heterogeniteit in de gevonden studieopzet, soort training en gemeten uitkomsten kan in zijn algemeenheid alleen gezegd worden dat zelfmanagement  interventies veelbelovend zijn.
Kelly EL, Fenwick KM, Barr N, Cohen H &Brekke (2014). A Systematic Review of Self-Management Health Care Models for Individuals With Serious Mental Illnesses. Psychiatric Services 65(11), 1300-1310. Trefwoord: Ernstige psychische aandoening

In Californië blijkt modelgetrouwe toepassing van het Housing First model,tot tevredenheid van de cliënten, de meeste deelnemers in zelfstandige appartementen onder te brengen
In Californië is sinds 2004 de Mental Health Services Act (MHSA) van kracht. Kern daarvan zijn de full service partnerships (FSP’s): gecombineerde huisvestings- en behandelingsprogramma’s waarbinnen ‘alles wat nodig is’ mag worden ondernomen om personen met een psychische stoornis die dakloos zijn stabiliteit en hulp te geven. Voor een deel lijken de FSP’s op de aanpak van het Housing First model. In deze Amerikaanse studie (n=6584) werd bekeken of er een verband is tussen een modelgetrouwe toepassing van het Housing First (HF) model en de huisvestingsuitkomsten van cliënten in 86 FSP’s. De kern van HF is dat het aanbieden van huisvesting geheel los staat van de bereidheid om aan een vorm van behandeling deel te nemen. Met behulp van factoranalyses werden de FSP’s ingedeeld in één van de drie categorieën: hoge, middelmatige en lage HF-modelgetrouwheid. Daarnaast werden met behulp van 20 focusgroepen kwalitatieve gegevens van cliënten verzameld over hoe er in de FSP’s daadwerkelijk met de huisvestingsproblematiek werd omgegaan. Er werden zeven ‘woonomstandigheden’ onderscheiden: dakloos, noodopvang, gevangenis, zelfstandig appartement, reguliere hulpverlening (=onderdak + behandeling), ouders of familie en anders. Er werd gekeken naar de huisvestingsituatie vóór de deelname aan het programma en een jaar daarna. Het bleek dat de deelnemers aan FSP’s met een hoge HF-modelgetrouwheid langer dakloos waren geweest dan die van FSP’s met een lage modelgetrouwheid én dat in de eerstgenoemde FSP’s significant vaker zelfstandige appartementen als huisvesting hadden aangeboden. Dit laatste sluit meer aan bij de wensen van de cliënten.
Gilmer TP, Stefancic A, Katz ML, Sklar M, Tsemberis S & Palinkas, LA (2014). Fidelity to the Housing First Model and Effectiveness of Permanent Supported Housing Programs in California. Psychiatric Services 65 (11), 1311-1317. Trefwoord: Ernstige psychische aandoening

Op de lange termijn is er ook in de UK een verband tussen het inzetten van ACT en een afname in het aantal opnames
In de UK werd in de jaren 1990 Assertive Community Treatment (ACT) als verplichte interventie ingevoerd. Toch kon in een grote RCT, uitgevoerd in de UK, in tegenstelling tot in de VS, de effectiviteit niet bewezen worden. Daarom is de belangstelling voor ACT in Engeland wat afgenomen. In deze Engelse studie werden 93 personen met EPA (vooral schizofrenie en schizo-affectieve stoornis) voor meer dan 10 jaar gevolgd. RCT’s duren meestal veel korter. Er werden data verzameld met name over aantal en duur van de opnames in psychiatrische ziekenhuizen over de periode vóór de interventie door een ACT-team en tijdens en eventueel na de interventie. Met behulp van een mirror-image analysis en een change-point analysis werden de observationele data geanalyseerd en kon worden vastgesteld of er in gelijke tijdsperiodes per persoon verschillen in de opnames zaten. Het bleek dat de cliënten die ondersteund werden door een ACT-team 44% minder opnames hadden dan in een gelijke periode vóórdat ze door het ACT-team begeleid werden. Het gemiddeld aantal dagen dat de cliënten per jaar werden opgenomen nam af van 73 vóór de ACT-begeleiding tot 46 tijdens de ACT-begeleiding. De change-point analysis geeft de waarschijnlijk aan dat iets is veranderd. Hieruit kwam duidelijk naar voren dat er na de ACT-interventie met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid een signifiante afname in het aantal opnames was. De trend in het aantal opnames per cliënt tijdens de ACT-interventie was minder dan de trend in de tijd vóór de ACT-interventie. Door de toepassing van ongebruikelijke analysemodellen kan volgens de auteurs in deze observationele studieopzet toch een causale relatie worden gelegd tussen de interventie en de beschreven effecten.
Sood L and Owen A. (2014). A 10-year service evaluation of an assertive community treatment team: trends in hospital bed use. Journal Mental Health 23(6), 323-7. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Meta-analyse: het effect van psychotherapie op het sociaal functioneren van personen met een (klinische) depressie is matig
Personen met een depressieve stoornis kunnen vaak maar beperkt sociaal functioneren, zowel op het werk als thuis en in relaties. Los van de depressieve symptomen is het vanuit het perspectief van de depressieve patiënt van groot belang of psychotherapie ter behandeling van depressie ook tot beter sociaal functioneren leidt. In deze Nederlandse meta-analyse werden 31 relevante studies gevonden, met 2956 deelnemers, waarin de effecten van psychotherapie (versus een controlegroep) op het sociale functioneren werden gemeten. De gemiddelde effectgrootte van psychotherapie op het sociale functioneren was gering tot matig (Hedges’ g=0.46, 95% BI 0.32-0.60) en significant verschillend van nul. Na correctie voor publicatie bias was de effectgrootte g=0.40. Studies die psychotherapie vergeleken met Care-As-Usual (CAU) hadden een kleinere effectgrootte (g=0.33) op het sociale functioneren dan de studies die psychotherapie met andere controlegroepen vergeleken (g=0.63). Studies die in de VS waren uitgevoerd hadden grotere effectgrootten (g=0.55) dan de studies die in andere landen waren uitgevoerd (g=0.38). Studies die Cognitieve Gedagstherapie (CGT) vergeleken met een controlegroep (g=0.50) hadden een vergelijkbare effectgrootte op het sociale functioneren dan studies die Psychodynamische-Interpersoonlijke therapie vergeleken met een controlegroep (g=0.32). Via meta-regressie analyse werd vastgesteld dat er een signifcante associatie was tussen de effectgrootte van het sociale functioneren en de effectgrootte van depressieve symptomen (slope: 0.71). Het sociale functioneren verbetert als de ernst van de depressieve symptomen afneemt, maar de verbetering in het sociale functioneren kunnen niet volledig verklaard worden uit verbeteringen in depressieve symptomen.
Renner F, Cuijpers P & Huibers MJ (2014). The effect of psychotherapy for depression on improvements in social functioning: a meta-analysis. Psychologcal Medicine 44(14), 2913-2926. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen