Kennis delen over herstel, behandeling en
participatie bij ernstige psychische aandoeningen

 

Ernstige psychische aandoeningen 2014

Themanummer over begeleid ouderschap bij personen met ernstige psychische aandoeningen (EPA) geeft aan dat de tijd rijp is voor een herstelmodel dat gericht is op de familie
Dit themanummer over begeleid ouderschap bevat 16 artikelen, waaronder 2 uit Nederland, die ieder een eigen samenvatting krijgen. De artikelen geven een goede indruk van het onderzoek dat de laatste jaren m.n. in de Angelsaksische landen op het gebied van familie-rehabilitatie en –herstel is ontwikkeld. Vier artikelen geven meer inzicht in hoe de levens van ouders met psychische problemen eruit kunnen zien en welke behoeften ze hebben: Afrikaans Amerikaanse moeder lijken meer ondersteuning vanuit hun omgeving nodig te hebben dan van de reguliere GGz. Een Australische studie geeft aan dat het aanbieden van psycho-educatie aan de familieleden van moeders met EPA zinvol kan zijn. Twee studies beschrijven globaal de dienstverlening aan de doelgroep en hoe de ouders deze ervaren. Het Amerikaanse onderzoek komt o.a. tot de conclusie dat de ouders meer moeten worden aangespoord om behandelingen af te maken. De Canadese studie concludeert dat er nog weinig aanbod is voor ouders met psychiatrische problemen. Vijf studies –waaronder de twee Nederlandse- rapporteren over de ontwikkeling, implementatie en eerste resultaten van specifieke interventies voor personen met EPA die kinderen hebben. Een Amerikaans onderzoek beschrijft de implementatieproblemen bij de overgang naar een op herstel gerichte gezinsinterventie. Een andere studie toont de effectiviteit aan van een online interventie ter voorlichting en ondersteuning van de ouders bij de opvoeding van hun kinderen. Een Australische studie beschrijft de ontwikkeling van een voorlichtingsDVD waarbij de ouders samenwerkten met hulpverleners. Drie artikelen brengen in kaart wat bestaande interventies potentieel voor de ouders kunnen betekenen. Uit een Amerikaanse studie blijkt dat ouders met psychische problemen onevenredig vaak werkloos en arm zijn, waardoor het aanbieden van IPS voor hen van groot belang kan zijn. Uit een andere studie blijkt dat er in ACT-teams relatief weinig aandacht is voor het ouderschap van hun cliënten. Eén bijdrage is van een ervaringsdeskundige ouder die een organisatie heeft opgericht waarbinnen familieleden van personen met EPA elkaar kunnen ontmoeten.
Nicholson J, Carpenter-Song EA, Perera DN., Barrow SM, Bonfils KA, Van der Ende PC, Biebel K, Wansink HJ, Kaplan K, Cook JA, Luciano AP, White LM et al (2014). Special Issue: Parents With Psychiatric Disabilities [themanummer]. Psychiatric Rehabilitation Journal, 37 (3), 157-265.Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

De mate van ervaren geluk bij personen met schizofrenie hangt samen met enkele positieve psychosociale factoren
In deze Amerikaanse studie komt de vraag aan de orde in hoeverre het realistisch is om in de context van schizofrenie geluk of welzijn na te streven. Een groep ambulante patiënten met schizofrenie (n=72) én een groep gezonde vergelijkingspersonen (GV’s) (n=64) werden ondervraagd en vulden vragenlijsten in. Van iedereen werden sociaal demografische gegevens verzameld. De mate van geluk werd gemeten met 4 items van de Center for Epidemiologic Studies Depression schaal (CES-D). De ernst van de symptomen met de SAPS, de BSI-A en de SF-36. De lichamelijke gezondheid werd gemeten met de SF-36 Physical Component score en de CIRS-G. Er werden acht meetinstrumenten gebruikt om psychosociale factoren te meten: o.a. Perceived Stress Scale, de Connor-Davidson Resilience Scale (CDR-10), de Hardy-Gill Resilience Scale (HGRS), de Personal Mastery Scale (PMS). Met twee instrumenten werd het cognitieve functioneren gemeten. De personen met schizofrenie waren gemiddeld minder gelukkig dan de GV’s, maar er waren grote onderlinge verschillen in de groep met schizofreniepatiënten. Van de groep met schizofrenie ervoer 37,5% een hoge mate van geluk tegenover 82,8% in de controlegroep. Bij de personen met schizofrenie was er een significante correlatie tussen een grotere mate van geestelijke gezondheid en geluk enerzijds en enkele positieve psychosociale factoren anderzijds: minder ervaren stress, hoger niveau van veerkracht, grotere mate van optimisme en persoonlijke beheersing. De mate van geluk had geen verband met sociaal demografische kenmerken, de duur van de stoornis, de ernst van positieve of negatieve symptomen, medisch comorbiditeit of cognitief functioneren. Het streven naar geluk lijkt een haalbaar behandeldoel bij schizofrenie.
Palmer BW, Martin AS, Depp CA, Glorioso DK & Jeste DV (2014).Wellness within illness: Happiness in schizophrenia. Schizophrenia Research 159 (1), 151–156. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Attention Shaping Procedures (ASP) zijn effectief in het vergroten van het aandachtsvermogen bij personen met schizofrenie
Personen met schizofrenie hebben vaak aandachtsproblemen. Er is een verband tussen aandachtsproblemen en het niveau van sociaal en arbeidsmatig functioneren bij deze groep. Farmacologische en psychosociale behandelingen hebben weinig invloed op het aandachtsvermogen. Attention Shaping Procedures (ASP) kunnen het aandachtsvermogen wel doen toenemen. ASP is gebaseerd op operante conditionering waarbij het aandachtsvermogen met behulp van bekrachtigers geleidelijk wordt vergroot. In deze Amerikaanse RCT werden twee groepen personen met schizofrenie die allen in dagbehandeling waren met elkaar vergeleken: BCSM+ASP (n=36) en de UCLA Basic Conversations Skills Module (BCSM)-groep (controlegroep; n=32). Op baseline en na 22 weken werden 13 meetinstrumenten afgenomen (inclusief aandachtstellingen door getrainde observanten) op het gebied van intelligentie (SILS), symptomen (PANNS), cognitie en leren (MATRICS Consensus Cognitive Battery-MCCB; SCoRS; Micromodule Learning Test-MMLT; Attention Process Training Test II-APT-II), sociale en functionele vaardigheden (BCSM-T; AIPSS; ILSI) en zelfrapportage instrumenten (Self-Efficacy-Social Situations Subscale-SESS; Interpersonal Competence Questionnaire-ICQ; Mastery Scal-MS). Het bleek dat het aandachtsvermogen bij de BCSM+ASP-groep significant was toegenomen in vergelijking met die van de controle groep: gemiddeld +3,58 minuten vs. -0,18 minuten. De effect size van de ASP-groep was d=1.61 vs. d=0.79 van de controlegroep. Buiten de behandelcontext waren de verbeteringen van de totale ASP-groep alleen op het gebied van cognitie en leren significant. De ASP-superresponders gingen wel duidelijk vooruit wat betreft symptoomreductie en sociale vaardigheden.
Silverstein SM, Roché MW, Khan Z, Carson SJ, Malinovsky I, Newbill WA, Menditto AA & Wilkniss SM. (2014). Enhancing and Promoting Recovery in Attentionally Impaired People Diagnosed with Schizophrenia: Results From a Randomized Controlled Trial of Attention Shaping in a Partial Hospital Program. American Journal of Psychiatric Rehabilitation 17 (3), 272-305. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

De ZelfRedzaamheidsMatrix (ZRM) is een betrouwbaar beslissingsondersteuning-instrument voor het toewijzen van dak- en thuislozen aan een vervolgtraject
Het Instroomhuis is een centraal loket voor de maatschappelijke opvang in Amsterdam. Hier worden dak- en thuislozen gescreend en wordt er door professionals een besluit over een vervolgtraject genomen. De cliënt wordt òf naar de OGGZ òf naar een private hulpverleningsinstelling verwezen. De meeste besluiten worden op grond van de persoonlijke expertise van de professional genomen. In dit Nederlandse onderzoek werd bekeken of de ZRM de professional ondersteuning kan bieden in de besluitvorming. Voor 612 cliënten vulde de beslissende professional de ZRM in. De ZRM bestaat uit 11 domeinen en categoriseert het niveau van zelfredzaamheid van elk domein op een 5-punts schaal. Met behulp van logistische regressie en de ROC-curve over de helft van het aantal cliënten werd een op een samenvatting van de ZRM-scores gebaseerde voorspellende kansberekening (predicted probability) ontwikkeld. Daarna werd bekeken in hoeverre die kansberekening overeen kwam met de daadwerkelijk genomen besluiten over de andere helft van de cliënten. Het bleek dat het ontwikkelde model accuraat en betrouwbaar is in het voorspellen van de professionele beslissingen. Hiermee kan er meer transparantie komen in de besluitvorming. De scores in vier domeinen van de ZRM wegen het zwaarst in de besluitvorming: huisvesting, geestelijke gezondheid, verslaving en justitie.
Lauriks S, De Wit MAS, Buster MCA, Fassaert TJL, Van Wifferen R & Klazinga NS (2014). The Use of the Dutch Self-Sufficiency Matrix (SSM-D) to Inform Allocation Decisions to Public Mental Health Care for Homeless People. Community Mental Health Journal 50 (7), 870-878. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Sociale activiteitengroepen voor personen met schizofrenie worden matig bezocht en hebben niet veel effect
In de Britse richtlijnen is opgenomen dat personen met schizofrenie toegang moeten hebben tot sociale activiteiten, zonder dat de invloed van zulke interventies in grote RCT’s onderzocht zijn. In deze RCT werden data van de Multicentre trial of Art Therapy In Schizophrenia: Systematic Evaluation, de MATISSE-studie, gebruikt om de effecten na 12 maanden van een activiteiten groepsinterventie (n=121) te meten (controlegroep, alleen TAU; n=121). Het betrof ambulant behandelde personen met schizofrenie. De activiteitengroepen hadden een begeleider, duurden ongeveer 90 minuten en werden wekelijks georganiseerd. Er werden expliciet geen therapeutische activiteiten verricht. Meestal werd er een excursie georganiseerd, werden er spelletjes gespeeld of werd er gezamenlijk naar DVD’s gekeken. De primaire uitkomsten waren geestelijke gezondheid, gemeten met de Positive and Negative Symptom Scale (PANNS), en algemeen functioneren, zoals gemeten met de Global Assessment of Functioning (GAF). Daarnaast werden afgenomen: de Social Functioning Schedule, de General Well-Being Scale en de Morisky Scale. Er werd gemeten op baseline en na 12 maanden. Het bleek dat maar 52% van degenen die aan de activiteitengroep-arm van de RCT waren toebedeeld ten minste één sessie hadden bijgewoond. Van degenen die meededen was het gemiddeld aantal groepen dat bezocht werd 2,1. In de interventiegroep nam de geestelijke gezondheid significant toe: de PANNS-score nam met 6 punten af. Het algemene functioneren bleef bijna gelijk met een toename van 0,8 punten op de GAF. Tussen de beide armen van de RCT werden geen significante verschillen gevonden. Aan het aanbieden van activiteitengroepen lijkt weinig klinisch voordeel te zitten. D
ean M, Weston ARW, Osborn DP, Willis S, Patterson S, Killaspy H, Leurent B & Crawford MJ (2014). Activity groups for people with schizophrenia: a randomized controlled trial.
Journal of Mental Health 23 (4), 171–175. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Het inzetten van Virtual Reality (VR)-toepassingen voor de behandeling van psychoses is veelbelovend
Het belangrijkste kenmerk van Virtual Reality (VR) is de ervaring van een gevoel van aanwezigheid in een interactieve driedimensionale wereld. Voor de behandeling van bepaalde angststoornissen is VR-exposure therapie al even effectief als de conventionele behandeling. Dit geldt nog niet voor psychotische stoornissen. In deze Nederlandse literatuurreview wordt een overzicht gegeven van wat er in de afgelopen jaren op het gebied van VR-toepassingen met betrekking tot psychotische stoornissen is gepubliceerd. Sommige studies hebben aangetoond dat VR paranoïde gedachten kan opwekken ten aanzien van virtuele karakters (avatars), zowel bij personen met een psychotische stoornis als bij gezonde individuen. Omdat VR geen ernstige bijwerkingen heeft kan het worden gebruikt om symptomen en mechanismen van psychose te bestuderen. Verder stelt VR behandelaars in staat om de interactie tussen het individu en de sociale omgeving in detail te bestuderen. Enkele pilotstudies over de VR-behandelingen voor psychotische stoornissen zullen binnenkort beschikbaar komen. Een proof-of-concept-studie toonde aan dat de frequentie en intensiteit van auditieve hallucinaties afnam bij patiënten die een kort gesprek hadden met een avatar van hun stemmen. De VR-ervaringen lijken erg veel op symptomen uit het echte leven. VR-toepassingen voor de behandeling van psychotische stoornissen zijn veelbelovend.
Veling W, Moritz S & Van der Gaag M (2014). Brave New Worlds: Review and Update on Virtual Reality Assessment and Treatment in Psychosis. Schizophrenia Bulletin 40 (6), 1194-1197. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Volgens experts is de outreachende zorg voor moeilijk tot het ontvangen van zorg te bewegen patiënten met ernstige psychische aandoeningen (EPA) in Europa zeer matig
In dit Nederlands-Noorse onderzoek werd aan experts uit 29 Europese landen (in grote steden) een vragenlijst voorgelegd waarin gevraagd werd hoe in hun land wordt omgegaan met EPA die moeilijk op te sporen zijn en/of moeilijk tot samenwerking met de hulpverlening te bewegen zijn. Er kwam antwoord uit 22 landen, welke 92% van de EU bevolking representeren. Assertive outreach (bemoeizorg) wordt in dit onderzoek gedefinieerd als hulpverlening waarbij elke hulpverlener minder dan 15 cliënten heeft en waarbij het contact normaliter bij de cliënten thuis of in een openbare ruimte plaats heeft en er relatief vaak contact is met de cliënt. In zes landen (21%) is er een systematische methode om dit soort cliënten op te sporen. Bemoeizorg bestaat in negen landen (41%), uiteenlopend van enkele teams tot een dekking voor het hele land. De ambulante zorg voor deze moeilijk te engageren cliënten loopt sterk uiteen. Op een schaal van 0 tot 10 scoorden de experts de kwaliteit van de ambulante behandeling van EPA gemiddeld op een 5,2 en die voor de moeilijk te engageren cliënten op een 3,2. Dat is flink onvoldoende. Er blijkt een verband tussen een hogere score voor outreachende zorg en een hoger Bruto Nationaal Inkomen en meer psychiaters per duizend inwoners. De auteurs roepen op een minimale Europese standaard voor bemoeizorg en voor de kwaliteit van zorg voor moeilijk te engageren EPA op te stellen.
Mulder CL, Ruud T, Bahler M, Kroon H & Priebe S (2014). The availability and quality across Europe of outpatient care for difficult-to-engage patients with severe mental illness: A survey among experts. International Journal of Social Psychiatry 60 (3), 304-310. Trefwoord: Ernstige Psychische Aandoeningen

Negen voorstellen om de sociaal psychiatrische dienstverlening in de wereld te verbeteren
De auteurs werken negen voorstellen uit over de richting waarin de Community Mental Health Care (psychiatrische hulpverlening in de gemeenschap) zich in de nabije toekomst zou moeten ontwikkelen. Er wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën van argumenten: ethiek, evidentie en ervaring. 1. De overheid moet zich ervoor inspannen dat meer mensen met psychische problemen geholpen worden; 2. De gezondheidszorg moet zich inspannen om iets te doen aan de lage levensverwachting van mensen met een psychiatrische stoornis; 3. De GGz moet meer doen om stigma van mensen met psychiatrische problemen te bestrijden; 4. De GGz-hulpverlening moet diensten bieden die door de cliënten toegankelijk en acceptabel worden gevonden; 5. Er moet een goede balans komen tussen intramurale en ambulante zorg, waarbij de meeste hulp bij de cliënten thuis wordt geboden; 6. De beleidsmakers in de GGz moeten vooral investeren in bewezen effectieve behandelingen; 7. Er moet meer geïnvesteerd worden in de ontwikkeling en de implementatie van Shared Decision Making; 8. Er moet meer begrip komen voor de inbreng van niet-westerse genezers. 9. De GGZ moet overal programma’s ontwikkelen die op het herstel (recovery) van de cliënten gericht zijn.
Thornicroft G &Tansella M (2014). Community Mental Health Care in the Future: Nine Proposals. Journal of Nervous & Mental Disease 202 (6), 507-512. Trefwoord: Ernstige Psychische Aandoeningen

Door Assertive Community Treatment gaan moeilijk bereikbare Nederlandse GGz-cliënten meer van het zorgaanbod gebruik maken
In de loop van de jaren 1990 is ook in Nederland geleidelijk Assertive Community Treatment (ACT) ingevoerd om personen met psychische problemen die niet door de hulpverlening bereikt werden toch hulp te bieden. Hun dropout uit de reguliere zorg is zo groot omdat ze hulp weigeren en/of anti-sociaal gedrag hebben en/of meerdere problemen (o.a. dubbel diagnose) hebben die door verschillende instanties behandeld worden (waardoor ze tussen wal en schip vallen). In deze Nederlandse studie (N=221) werd met behulp van gegevens van het Psychiatrisch Casus Register Midden-Nederland in kaart gebracht of en hoe het GGz-zorggebruik van cliënten die door ACT-teams werden begeleid veranderde. Als deze groep meer van de zorg –zoals opname in psychiatrische ziekenhuis- gebruik gaat maken wordt dat als een positieve verandering gezien, omdat daardoor hun kansen op functionele vooruitgang toe nemen. Het bleek dat cliënten tijdens een ACT-periode gemiddeld 47% meer gebruik (d.i. 14 dagen per maand) maakten van begeleid wonen dan in de periode vóór de ACT. Ook in post-ACT periodes bleven de cliënten nog 38,9% meer gebruik maken van begeleid wonen dan in de periode vóór de ACT. Deze data duiden er op dat ACT effectief is in het binnen de zorg houden van cliënten die niet kunnen omgaan met de huidige organisatie van de zorg.
Drukker M, Laan W, Dreef F, Driessen G, Smeets H & Van Os J (2014). Can Assertive Community Treatment Remedy Patients Dropping Out of Treatment Due to Fragmented Services?. Community Mental Health Journal 50 (4), 454-459. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Van de ACT-cliënten met een ernstige psychische aandoening (EPA) hebben de cliënten met verslavingsproblemen veel meer psychosociale problemen
Personen met een ernstige psychische aandoening (EPA) hebben ook vaker verslavingsproblemen dan de algemene bevolking. Assertive Community Treatment (ACT) is ontwikkeld om geïntegreerde hulp te bieden, speciaal voor dubbele diagnose cliënten. In deze Nederlandse studie is gebruikt gemaakt van data die zijn verzameld om de modelgetrouwheid van 20 ACT-teams met behulp van de Darthmouth ACT model fidelity scale (DACTS) vast te stellen. Centraal staan de vragen in hoeverre EPA met en zonder verslavingsproblemen van elkaar verschillen (N totaal=530) en of er een verband is tussen modelgetrouwheid aan ACT en een afname van verslavingsproblemen. Het geestelijke en sociale functioneren werd gemeten met de Health of the Nation Outcome Scales (HoNOS) en de behoefte aan zorg met de Camberwell Assessments of Need Short Assessment Schedule (CANSAS). Deze lijsten werden op baseline, na 12 en na 24 maanden afgenomen. De DACTS werd op baseline en na 24 maanden afgenomen. Op baseline bleek 54% van de cliënten een verslavingsprobleem te hebben. Er was een duidelijke associatie tussen verslavingsproblemen en het aantal opnames voor verslavingsproblemen én de ernst van de psychosociale problemen (vaker dakloos, vaker opgenomen, vaker in detentie). Uit de multilevel analyses bleek dat er in de loop van de tijd een significante verbetering optrad met betrekking tot verslavingsproblemen (z=-2.21). Er bleek echter geen verband te zijn tussen DACTS-scores (mate van modelgetrouwheid aan ACT-filosofie) en de verbeteringen op het vlak van verslavingsproblemen. Het bleek dat hoe meer psychosociale problemen men had hoe minder de verslavingsproblemen afnamen.
Van Vugt MD, Kroon H, Delespaul PAEG & Mulder CL (2014). Assertive Community Treatment and Associations with Substance Abuse Problems. Community Mental Health Journal 50 (4), 460-465. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Alleen aangepaste en permanent en regelmatig gegeven voorlichting over een gezonde levensstijl heeft kans van slagen bij personen met ernstige psychische aandoeningen
Personen met ernstige psychische aandoeningen (EPA) hebben bijna twee keer zo vaak obesitas dan de gewone bevolking. Voor een deel kan dat verklaard worden door de metabolische effecten van de 2de generatie antipsychotica. In deze Amerikaanse kwalitatieve studie werd geïnventariseerd wat hulpverleners in de ambulante GGz denken welke barrières en gunstige factoren er zijn voor hun cliënten met EPA om een gezondere leefstijl (gezonder eten & meer bewegen) te gaan volgen. Er werden 5 focusgroepen gehouden (N=36). Met behulp van de grounded theorie werden de data geordend. De hulpverleners onderscheidden invloeden op individueel, sociaal en maatschappelijk niveau op de ontwikkeling en instandhouding van obesitas bij hun cliënten. De hulpverleners constateren een gebrek aan kennis over gezonde voeding en bewegen bij hun cliënten. Om hier verandering in te brengen stellen de hulpverleners voor vaak en langdurig (minimaal 1 maal per week over een periode van 6 maanden) aandacht te vragen voor leefstijlproblemen, afgestemd op het niveau van de cliënten. De hulpverleners denken dat het sociale netwerk van de cliënten (familie en lotgenoten) een negatieve invloed kan hebben op het gezondheidsgedrag van de cliënten. Er wordt ook geconstateerd dat de cliënten vaak geen toegang tot gezond voedsel hebben omdat ze meestal arm zijn. Ook zelfstigma kan een barrière vormen om b.v. te gaan sporten. De hulpverleners vinden dat de voorlichting over een gezondere levensstijl door een aparte hulpverlener gegeven moet worden.
McKibbin CL, Kitchen KA, Wykes TL & Lee AA (2014). Barriers and Facilitators of a Healthy Lifestyle Among Persons with Serious and Persistent Mental Illness: Perspectives of Community Mental Health Providers. Community Mental Health Journal 50 (5), 566-576. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

De psychometrische eigenschappen van de Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM) zijn adequaat
Om behandeluitkomsten in de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ) te meten worden o.a. Health of the Nation Outcome Scales (HoNOS) en de Camberwell Assessment of Need (CAN) gebruikt, ook in Nederland. In de OGGZ komen vaak personen terecht met meerdere problemen. De afgelopen jaren is in de VS een instrument ontwikkeld dat op allerlei levensdomeinen op eenvoudige wijze de zelfredzaamheid meet: de Self-Sufficiency Matrix (SSM). Vanaf 2010 wordt de SSM ook in Nederland gebruikt in een vertaalde (en aangepaste) versie: de Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM). In deze Nederlandse studie worden de ontwikkeling van en onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit van de ZRM besproken. De ZRM heeft 11 van de oorspronkelijke 19 domeinen van de SSM overgenomen: Financiën, Dagbesteding, Huisvesting, Huiselijke relaties, Geestelijke gezondheid, Lichamelijke gezondheid, Verslaving, Activiteiten Dagelijks Leven, Sociaal netwerk, Maatschappelijke participatie, Justitie. Per item worden de cliënten geëvalueerd op 5-punts Likert-achtige schalen: 1=acute problematiek; 2=niet zelfredzaam; 3=beperkt zelfredzaam; 4=voldoende zelfredzaam; 5=volledig zelfredzaam. In twee verschillende settings werden de beoordelingen van de ZRM vergeleken met die van de HoNOS en de CAN. Het blijkt dat de ZRM een zeer goede interne consistentie heeft (Crombach’s α van 0.85 en 0.89). De convergente validiteit werd aangetoond door sterke correlaties met de HoNOS en de CAN. Voor meer informatie: http://www.zelfredzaamheidmatrix.nl
Fassaert T, Lauriks S, Van de Weerd S, Theunissen J, Kikkert M, Dekker J, Buster M & De Wit M (2014). Psychometric Properties of the Dutch Version of the Self-Sufficiency Matrix (SSM-D). Community Mental Health Journal 50 (5), 583-590. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Nederlandse ACT-cliënten zijn moeilijk te motiveren om aan aanvullende evidence-based interventies deel te nemen
Zoals in veel richtlijnen voor de behandeling van schizofrenie wordt ook in de Nederlandse richtlijn aangeraden de volgende psychosociale interventies aan te bieden: psycho-educatie, familie interventies (zoals b.v. verstoorde relaties met familieleden herstellen), IPS en Cognitieve Gedragstherapie (CGT). In deze Nederlandse RCT (N totaal=159) werd onderzocht of de effectiviteit van Assertive Community Treatment (ACT) kon worden verbeterd door genoemde interventies actief aan te bieden (ACT Plus; N=74). De interventies werden verricht door psychologen en psychiatrisch verpleegkundigen, onafhankelijk van het ACT-team. De primaire uitkomstmaat voor beide groepen –ACT Plus en standaard ACT- was het gebruik van intramurale zorg over een periode van 2 jaar. Het belangrijkste resultaat van dit onderzoek was dat, hoewel de meeste ACT-cliënten geschikt werden geacht om aan een van de vier interventies deel te nemen (met een range van 65% tot 89%), slechts 12 van de 74 cliënten (16%) tot het einde toe een interventie of behandeling bleef volgen. Er was een drop out van 60%. Van de 74 ACT Plus cliënten was 41% geïnteresseerd of in staat om met een aangeboden interventie te beginnen. Het aantal cliënten dat aan een behandeling deel nam was te laag om een significante verbetering bij de ACT Plus cliënten ten opzichte van de standaard ACT cliënten vast te kunnen stellen. Deze groep cliënten is moeilijk te motiveren om te beginnen met een psychosociale interventie en nog moelijker te motiveren om de interventie af te maken. Daarnaast kan dat in dit geval mede te maken hebben met het feit dat de behandelaars niet in het ACT-team zaten en nog nooit dit type cliënten hadden behandeld.
Sytema S, Jörg F, Nieboer R & Wunderink L (2014). Adding Evidence-Based Interventions to Assertive Community Treatment: A Feasibility Study. Psychiatric Services 65 (5), 689-692. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Dakloze EPA komen veel vaker met justitie in aanraking én zijn veel vaker slachtoffer van een misdrijf dan gehuisveste EPA
Volgens schattingen heeft 20% tot 50% van de daklozen in Noord-Amerika eveneens een ernstige psychische aandoening (EPA). In deze Canadese systematische review werden studies (n=21) opgespoord en beoordeeld over hoe vaak daklozen met EPA in aanraking met politie en justitie komen, hoe vaak ze volgens henzelf crimineel gedrag vertonen én hoe vaak ze slachtoffer van een (gewelds)misdrijf worden. Op één na werden alle gevonden onderzoeken verricht in de VS. Van de 21 studies onderzochten er 15 de dakloze EPA als dader; slechts 6 studies onderzochten de prevalentie van victimisatie. Van de dakloze EPA blijkt tussen de 63% en de 90% ooit gearresteerd te zijn geweest, blijkt tussen de 28% en de 80% ooit te zijn veroordeeld en heeft tussen de 48% en de 67% ooit in de gevangenis gezeten. In de VS wordt van de algemene bevolking ongeveer 15% ooit in het leven gearresteerd. De 10-jaars arrestatie cijfers voor volwassenen met een psychisch stoornis zijn tussen de 25% en 30%. Volgens zelfrapportage heeft tussen de 17% en de 32% van de dakloze EPA in het afgelopen jaar crimineel gedrag vertoond. Dakloze EPA die met justitie in aanraking komen hebben significant vaker een crimineel verleden, hebben veel behoefte aan GGz-hulpverlening, zijn vaker jonge mannen, gebruiken vaak drugs en hebben vaak een gedragsstoornis. Een zeer groot deel van de dakloze EPA is ooit in hun leven slachtoffer van een (gewelds)misdrijf geweest: tussen de 74% en 87%. Dat is twee à drie keer zo vaak als bij de groep gehuisveste EPA. De groep dakloze EPA slachtoffers is vaker vrouw met een geschiedenis van kindermishandeling en lijdend aan depressies.
Roy L, Crocker AG, Nicholls TL, Latimer EA & Ayllon AR (2014). Criminal Behavior and Victimization Among Homeless Individuals With Severe Mental Illness: A Systematic Review. Psychiatric Services 65 (6), 739-750. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen

Meta analyse: Lifestyle interventies voor EPA resulteren in afname cardiovasculaire risico’s
In deze Spaanse systematische review en meta-analyse werden klinische trials opgespoord en beoordeeld over lifestyle interventies gericht op personen met EPA die over het algemeen een sterk verhoogd risico op cardiovasculaire ziektes hebben. In vijf bibliografische bestanden werden 26 geschikte studies gevonden. Over het algemeen bestaan de lifestyle interventies uit een combinatie van het stimuleren van fysieke activiteiten en het geven van voedingsadviezen. De uitkomstmaten zijn meestal een combinatie van enkele van de volgende parameters: bloeddruk, tailleomtrek, gewicht, body mass index (BMI), lipiden niveau’s (cholesterol; triglyceriden), bloedsuikergehalte of cardiovasculair incident. Zoveel mogelijk werd de Weighted Mean Differences (WMD) (=gewogen gemiddelde verschil) uitgerekend. Na 12 maanden was in het geval van de gepoolde resultaten de BMI bij de interventiegroep significant afgenomen ten opzichte van de controle groep (WMD= -1,16 kg/m2). Na 12 maanden was in het geval van de gepoolde de resultaten de tailleomtrek bij de interventiegroep significant afgenomen (WMD= -5,52 cm). Hetzelfde gold voor het cholesterol na 6 maanden (-24,64 mg/dl) en de triglyceriden (-44,85 mg/dl). De bestudeerde interventies blijken effectief te zijn. Een minpunt is dat de meeste van dit soort studies slechts een gering aantal deelnemers heeft (per RCT tussen de 10 en 30 personen).
Fernández-San-Martín MI, Martín-Lópe LM, Masa-Font R, Olona-Tabueña N, Roman Y, Martin-Royo J, Oller-Canet S et al (2014). The Effectiveness of Lifestyle Interventions to Reduce Cardiovascular Risk in Patients with Severe Mental Disorders: Meta-Analysis of Intervention Studies. Community Mental Health Journal 50 (1), 81-95. Trefwoord: Ernstige psychische aandoeningen