Kennis delen over herstel, behandeling en
participatie bij ernstige psychische aandoeningen

 

Destigmatisering 2013

Bij GGZ-cliënten die betrokken zijn bij een consumer run zelfhulp programma neemt zelfstigma af en de zelfeffectiviteit toe
In de VS zijn er twee manieren om consumer run programma’s te organiseren: 1. Het participerend democratisch model, waarbij de (ex-)cliënten op alle niveaus inspraak hebben (Self-Help Agencies – SHA); 2. Het hiërarchisch georganiseerd model met als directie een ex-cliënt en een staf van minimaal de helft ex-cliënten, waarbij de cliënten weinig invloed op de besluiten hebben (Board- and Staff-Run Consumer-Operated Service Programs – BSR-COPS). In deze dubbele RCT werd de relatieve effectiviteit van SHAs en BSR-COPSen op de ontwikkeling van zelfstigma, empowerment en zelfeffectiviteit gemeten. In de ene RCT werd een groep die zowel hulp kreeg van een Community Mental Health Agency (CMHA) als betrokken was bij een SHA (SHA-CMHA; N= 403) vergeleken met een groep die alleen van een CMHA hulp kreeg (N=102). De tweede RCT vergeleek de ontwikkeling van een groep die deelnam aan zowel BSR-COPS als CMHA (N=86) met een groep die alleen van een CMHA hulp kreeg (N=53). Zelfstigma werd gemeten met de Attitudes Toward Persons with Mental Illness Scale (ATPMIS), de mate waarin deelnemers gesterkt werden door in een organisatie te functioneren werd gemeten met de Organizationally Mediated Empowerment Scale (OMES) en de zelfeffectiviteit met de Self-Efficacy Scale (SES). Er is gemeten op baselineen na 8 maanden. Het bleek dat de SHA-CMHA deelnemers een significant grotere positieve verandering in zelfstigma scoorden in vergelijking met de CMHA-groep, en dat dit kwam omdat dat ze zowel aan SHA als aan CMHA deelnamen (b=1.20) én aan een toegenomen empowerment (b=.27). Bij de BSR-COPS groep daarentegen nam het zelfstigma toe (b=-4.73). Het participerend democratisch model lijkt veel beter voor het herstel. Segal SP, Silverman CJ & Temkin TL (2013). Self-Stigma and Empowerment in Combined-CMHA and Consumer-Run Services: Two Controlled Trials. Psychiatric Services 64 (10), 990-996. Trefwoord: Stigmabestrijding

In Californië zijn met behulp van ervaringsdeskundigen de noodzakelijke voorwaarden voor effectieve, op contact gebaseerde antistigmaprogramma’s vastgesteld
Uit onderzoek is gebleken dat antistigmaprogramma’s waarbij er direct contact is tussen ervaringsdeskundigen en het publiek tot de meest effectieve behoren. Er is echter nog geen algemene consensus over waaraan zulke programma’s moeten voldoen. In dit artikel wordt verslag gedaan van een project van het California Center waarbij met behulp vancommunity based participatory research (CBPR) de actieve ingrediënten van op contact gebaseerde en door ervaringsdeskundigen geleide antistigma programma’s werden verzameld en geordend. De CBPR-onderzoekers hebben vier focusgroepen georganiseerd waaraan in totaal 49 ervaringsdeskundigen die aan antistigmaprogramma’s hadden deelgenomen werden ondervraagd. Met behulp van de grounded theorykwam men tot 32 ingrediënten die nodig zijn voor succesvolle antistigma programma’s. Deze kunnen worden geordend in vijf categorieën: 1. Programma ontwerp: logistieke en operationele voorwaarden om het programma te kunnen uitvoeren (o.a. de getrainde presentatoren gaan naar de doelgroep toe en hebben face-to-face contact); 2. Doelgerichtheid: presentatie moet zijn afgestemd op de specifieke doelgroep (genoemd worden o.a.: samenleving algemeen; scholen; werkgevers; familie; overheidspersoneel; medewerkers gezondheidszorg); 3. Personeel: programma moet geleid en uitgevoerd worden door ervaringsdeskundigen; 4. De boodschap: in de presentatie staat de strijd om de psychische problemen te overwinnen centraal, wordt het recovery proces beschreven en komt de invloed van stigma aan de orde; 5. Follow-up en evaluatie: de effecten van de presentatie moeten gemeten worden. Corrigan PW, Vega, Eduardo; Larson, Jon; Michaels, Patrick J.; McClintock, Glen; Krzyzanowski, Richard; Gause, Michael; Buchholz, Blythe (2013).The California schedule of key ingredients for contact-based antistigma programs. Psychiatric Rehabilitation Journal, 36(3), 173-179. Trefwoord: Stigmabestrijding

Cognitieve therapie kan bij personen met een Psychose Risico Syndroom de mate van zelfstigma doen afnemen
Er is debat over de vraag of je mensen met een psychose risico syndroom of At-Risk Mental Health State (ARMS) al in dat vroege stadium behandeling moet aanbieden (een zeer groot deel van deze groep krijgt geen psychose). Het zou kunnen dat het aanbieden van b.v. cognitieve therapie bij deze groep tot een toename van het geïnternaliseerde stigma of zelfstigma leidt. In deze Britse RCT werden gegevens uit de Early Detection and Intervention Evaluation 2 (EDIE-2) trial geanalyseerd om te kijken of er verschil in zelfstigma was tussen een groep (leeftijd tussen 14 en 35 jaar) die alleen regelmatig monitoring van symptomen kreeg (N=144) en een groep die behalve monitoring óók een jaar lang cognitieve therapie kreeg (N=144). Symptomen en ervaringen werden gemeten met de Comprehensive Assessment of At-Risk Mental States (CAARMS), zelfstigma met de Personal Beliefs about Experiences Questionnaire (PBEQ) – met name de schaal voor negatieve beoordeling van ongewone ervaringen en de schaal die ervaren sociale acceptatie van ongewone ervaringen meet. Er werd gemeten op baseline, na 6, 12, 18 en 24 maanden. De primaire uitkomstmaat was: veranderingen in het zelfstigma. Na 12 maanden waren de ‘negatieve beoordeling’ scores voor de cognitieve therapiegroep 1.36 lager dan die voor de controlegroep. Na twee jaar was deze maat voor zelfstigma voor beide groepen significant afgenomen. De ‘sociale acceptatie’ scores namen bij beide groepen iets toe. Voor personen met een ARMS die cognitieve therapie krijgen neemt zelfstigma zeker niet af, maar lijkt cognitieve therapie tot minder zelfstigma te leiden. Morrison AP, Birchwood M, Pyle M, Flach C, Stewart SLK, Byrne R, Patterson P, Jones PB et al (2013). Impact of cognitive therapy on internalised stigma in people with at-risk mental states. British Journal of Psychiatry 203 (2), 140-145. Trefwoord: Stigmabestrijding

Duits publiek gelooft steeds meer dat schizofrenie biologische oorzaken heeft, toch wil men meer afstand houden van mensen met schizofrenie
De afgelopen 20 jaar is er meer kennis gekomen over de biologische oorzaken van psychische stoornissen en is de psychiatrie flink veranderd. In Duitsland zijn er in 1990 (N=3067) en in 2011 (N=2951) bevolkingsonderzoeken gehouden om de houding van een representatieve steekproef van de bevolking ten opzichte van personen met psychische stoornissen in beeld te krijgen. Er werd met vignetten gewerkt waarin een persoon met òf schizofrenie, òf ernstige depressie òf alcoholafhankelijkheid werd afgebeeld. In de face-to-face interviews scoorden de respondenten op 1. Opvattingen over mogelijke oorzaak van het probleem; 2. Houding ten opzichte van de behandelingen die door de GGz worden aangeboden; 3. Welke soort hulpverlener men de beschreven persoon met een psychisch probleem zou aanraden; 4. Welke behandeling men de beschreven persoon zou aanraden; 5. Welke emotionele reactie men heeft op de beschreven persoon (prosociaal; angst; boosheid); 6. In hoeverre men sociale afstand wil houden ten opzichte van de beschreven persoon. Het blijkt dat de Duitsers meer geneigd zijn om het ontstaan van schizofrenie aan biologische oorzaken toe te schrijven, terwijl het omgekeerde geldt voor depressie en alcoholisme. De behandelingen die door de GGz-professionals worden aangeboden worden meer geaccepteerd. In 2011 vertoonden de respondenten meer angst ten opzichte van personen met schizofrenie en hadden ze een groter verlangen om sociale afstand van hen te houden dan in 1990. De houding ten opzichte van personen met depressie of alcoholisme was niet veranderd. Angermeyer MC, Matschinger H & Schomerus G (2013). Attitudes towards psychiatric treatment and people with mental illness: changes over two decades. British Journal of Psychiatry 203 (2), 146-151. Trerwoord: Stigmabestrijding

Personen met schizofrenie met redelijk ziekte-inzicht en matige depressie hebben een hoge mate van zelfstigma en weinig sociale cognitie
Uit onderzoek komt naar voren dat verhoogd ziekte-inzicht bij personen met schizofrenie vaak samen gaat met depressie. In deze Amerikaanse studie werd de relatieve invloed onderzocht van drie factoren die voor een deel bepalen of ziekte-inzicht bij personen met schizofrenie (N=65) tot depressie leidt: zelfstigma, sociale cognitie en metacognitie. De volgende instrumenten werden afgenomen: Indiana Psychiatric Illness Interview (IPPI), de Metacognition Assessment Scale (MAS-A), de Scale to assess Unawareness of Mental Disorders (SUMD), de PANNS, de Internalized Stigma of Mental Illness Scale (ISMIS), de Hinting Task, de Bell-Lysaker Emotional Recognition Task (BLERT), de Toronto Alexithymia Scale (TAS-20), de Measurement and Treatment Research to Improve Cognition in Schizophrenia (MATRICS). Met behulp van cluster analyse konden er drie groepen onderscheiden worden: 1. Sterk ziekte-inzicht/Lichte depressie (N=22); 2. Redelijk ziekte-inzicht/Matige depressie (N=26); 3. Weinig ziekte-inzicht/Geen depressie (N=17). Groep 1 blijkt hoger te scoren voor metacognitie en voor emotie regulatie dan groep 2. Groep 2 heeft meer alexthymie (= moeite hebben met onderscheiden van emoties) dan de andere twee groepen. Groep 2 (redelijk inzicht/matige depressie) blijkt significant meer zelfstigma te hebben dan de andere twee groepen. Meer ziekte-inzicht leidt bij schizofrenie niet tot ernstige depressies als de persoon een hoge mate van sociale cognitie en metacognitie heeft. Lysaker PH, Vohs J, Hasson-Ohayon I, Kukla M, Wierwille J & Dimaggio G (2013). Depression and insight in schizophrenia: Comparisons of levels of deficits in social cognition and metacognition and internalized stigma across three profiles. Schizophrenia Research 148 (1), 18-23. Trefwoord: Stigmabestrijding

Binnen etnische groepen in Engeland bestaat er zowel een extern als een intern stigma ten opzichte van psychische stoornissen
Uit de Amerikaanse literatuur is bekend dat etnische minderheden zich gediscrimineerd en gestigmatiseerd voelen door de autoriteiten en de behandelende medici (‘extern stigma’). Deze Britse studie was er op gericht meer kennis te verwerven van de opvattingen over psychische stoornissen binnen de belangrijkste etnische groepen (allochtonen) in Engeland. Er werden 10 focusgroepen samengesteld (gemiddeld 10 leden per groep) met leden van de voornaamste (en andere) etnische groepen in Londen: Zuid-Aziaten, zwarte Afrikanen (inclusief Somaliërs) en zwarte Caribiërs. Vijf focusgroepen bestonden uit GGz-cliënten en vijf uit “leken”. Er werden vier verschillende benaderingen onderscheiden: 1. Kritiek op de eigen gemeenschap omdat die het traditionele geloof over psychische stoornissen en behandeling bleef aanhangen en niet het moderne biomedische verklaringsmodel (‘zelf-kritische’ stem); 2. Kritiek op het Westerse concept van psychische stoornissen, waarbij werd benadrukt dat Westerse behandelaars leden van etnische minderheidsgroepen ongelijk behandelen (‘extern stigma’) (‘medisch kritische’ stem). 3. Verdedigers van de traditionele etnische methodes (‘traditionele’ stem). 4. Personen die de biomedische benadering willen verzoenen met de traditionele opvattingen (‘geïntegreerde’ stem). In veel etnische groepen bestaat er een taboe op het benoemen van psychische stoornissen, die vaak niet als ziekten worden gezien (‘intern stigma’). De personen uit etnische groepen met psychische stoornissen staan bloot aan zowel een extern als een intern stigma. Daarmee moet bij antistigma campagnes rekening worden gehouden. Shefer G, Rose D, Nellums L, Thornicroft G, Henderson C & Evans-Lacko S (2013). ‘Our community is the worst’: The influence of cultural beliefs on stigma, relationships with family and help-seeking in three ethnic communities in London. International Journal of Social Psychiatry 59 (6), 535-544. Trefwoord: Stigmabestrijding

Mate van stigma in een samenleving wordt voor een deel bepaald door de mate waarin de cultuur individualistisch of collectivistisch is
Uit de literatuur komt naar voren dat er in bepaalde culturen meer stigmatiserend met geestelijk gezondheidsproblemen wordt omgegaan dan in andere. Eén van de culturele dimensies waarop Hofstede culturen indeelt is ‘collectivisme’ tegenover ‘individualisme’. In deze Britse cross-sectionele survey werd de hypothese getest dat ‘individualistische’ culturen (Amerikanen (N=78) en blanke Britten (N=75)) minder stigmatiserende houdingen hebben ten opzichte van psychische problemen dan ‘collectivistische’ culturen (Grieken (N=77) en Chinezen (N=75)), allen wonend in de UK. De belangrijkste uitkomstmaten waren scores op de Community Attitudes to Mental Illness scale (CAMI) en de Vertical-Horizontal Individualism-Collectivism scale (VHIC). Voorbeelden van de VHIC waarden: horizontaal collectivisme: “als een collega een prijs wint voel ik me trots”; verticaal collectivisme: “ik doe wat mijn familie wil, ook al veracht ik die activiteit”; horizontaal individualisme: “men behoort zijn leven onafhankelijk van anderen te leven”; verticaal individualisme: “voor mij is het belangrijk dat ik mijn werk beter doe dan anderen”. Er bleken alleen maar significante correlaties op de individualisme-collectivisme schaal ten opzichte van de CAMI-uitkomsten te zijn voor de Amerikanen en de Chinezen. De Amerikanen hebben de minst stigmatiserende houding en hun cultuur kan als verticaal-individualistisch worden beschouwd. De Chinese cultuur blijkt de meest stigmatiserende houding te hebben en kan worden gekarakteriseerd als verticaal-collectivistisch. Culturele factoren zijn van invloed op de mate van stigma in een samenleving. Papadopoulos C, Foster J & Caldwell K (2013). ‘Individualism-Collectivism’ as an Explanatory Device for Mental Illness Stigma.Community Mental Health Journal 49 (3), 270-280.Trefwoord: Stigmabestrijding

Gering stigma hangt sterk samen met hoge mate van intimiteit met en positieve emotie ten opzichte van personen met psychische problemen
Theoretisch gezien zou stigma moeten verminderen als ‘gewone’ mensen in contact komen met personen met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA), maar dat blijkt niet uit de praktijk. In deze Belgische survey (N=1166; representatieve steekproef) werd gekeken of er een verband is tussen de mate van intimiteit en de kenmerken van het contact tussen EPA en ‘gewone’ mensen en de mate van stigma. De houding ten opzichte van EPA werd gemeten met de Community Mental Health Ideology scale (CMHI), een subschaal van de Community Attitudes toward the Mentally Ill scale (CAMI). Iedere respondent werd op een van de volgende ’type contact’ categorieën ingedeeld: 1. Eigen ervaring; 2. Familielid heeft behandeling gehad; 3. Kent iemand die behandeling heeft gehad; 4. Heeft wel eens contact gehad met een EPA; 5. Heeft nooit contact gehad. Bij de kenmerken van het contact werd gemeten: a. emotionele reactie (angst of compassie ten opzichte van EPA); b opvatting over effectiviteit van behandeling. Het blijkt dat er een significante samenhang is tussen de mate van tolerantie ten opzichte van EPA en de mate van intimiteit van het contact met EPA (eigen ervaring: B=1.377; familielid: B=1.198; geen contact: B=-1.124). Van degenen die alleen publiek contact met EPA hadden, hebben alleen degenen die compassie met EPA hebben een tolerante houding (B=1.796). Degenen die bang voor EPA zijn hebben vooral een stigmatiserende houding (B=-1.641). Van de subgroep die intiem contact heeft met EPA hebben degenen die denken dat de behandeling effectief is een tolerante houding (B=1.211). Pattyn E, Verhaeghe M & Bracke P (2013). Attitudes Toward Community Mental Health Care: The Contact Paradox Revisited. Community Mental Health Journal 49 (3), 292-302. Trefwoord: Stigmabestrijding

Het door cliënten zelf uitgevoerde psychoeducatieve programmaIn Our Own Voice (IOOV) is leerzaam en hoopgevend voor een breed publiek
De Amerikaanse National Alliance on Mental Illness (NAMI) heeft IOOV ontwikkeld. Dit is een programma waarbij het publiek -meestal bestaande uit algemeen publiek, studenten en GGz-cliënten- tijdens een 90 minuten durende multimediale presentatie in contact komt met twee cliënten die een herstelproces hebben doorgemaakt. Het primaire doel is het verminderen van stigma door het geven van informatie en het uitdragen van een boodschap van hoop. Sinds 1997 hebben al 200.000 mensen deze bijeenkomsten bijgewoond. Deze studie is de eerste algemene evaluatie van IOOV. Hierbij werd gebruik gemaakt van 599 evaluatieformulieren uit 2009. Deze werden zowel kwantitatief als kwalitatief geanalyseerd. Het blijkt dat: 1. Over het algemeen wordt IOOV zeer positief beoordeeld (86% van de evaluaties). 2. Door 35% van de deelnemers werd spontaan gemeld dat het programma leerzaam was; 45% van de deelnemers gaf spontaan aan dat er een op herstel gerichte boodschap werd uitgedragen. 3. Over het algemeen waren de verschillen tussen cliënten en niet-cliënten niet groot. Toch gaven de niet-cliënten vaker dan de cliënten aan dat IOOV leerzaam was, hoop bood en een herstelboodschap uitdroeg, terwijl de cliënten vaker aangaven zich persoonlijk met de presentatoren verbonden te voelen. Brennan M & McGrew JH (2013). Evaluating the effects of NAMI’s consumer presentation program, In Our Own Voice. Psychiatric Rehabilitation Journal 36 (2), 72-79. Trefwoord: Stigmabestrijding

In de Angelsaksische wereld komen er steeds meer educatieve antistigma initiatieven op de werkvloer
In deze brede inventariserende Canadese studie werd gezocht naar de kenmerken en principes van projecten op de werkvloer die gericht zijn op het bestrijden van stigma en vooroordelen ten aanzien van personen met psychische problemen. Er werd gezocht in peer reviewed tijdschriften via bibliografische databases, grijze literatuur en via een Internet search. Er werden in totaal 22 beschrijvingen van interventies gevonden, 10 via bibliografische bestanden en 12 via het Internet: 7 in de UK, 6 in Canada, 5 in de USA en 4 in Australië. De meeste initiatieven zijn recent (afgelopen 4 jaar). Van alle gevonden programma’s worden de volgende kenmerken beschreven: setting van het werk; specifieke anti-stigma doelen; soort interventie; duur en frequentie van de interventie; de doelgroep van de interventie. Er lijkt op de werkvloer meer aandacht te komen voor geestelijke gezondheid. Bijna alle programma’s maakten gebruik van een educatieve benadering om een stigmatiserende houding ten aanzien van psychische stoornissen te doen verminderen (en dus bijna niet van ervaringsdeskundigen). Een substantieel deel van de programma’s is gericht op militairen. Slechts enkele studies rapporteren dat er een effectmeting is verricht. Over het algemeen werd een afname van een stigmatiserende houding gemeten. Er is behoefte aan betere evaluatie instrumenten. Malachowski C & Kirsh B (2013). Workplace Antistigma Initiatives: A Scoping Study. Psychiatric Services 64(7), 694-702. Trefwoord: Stigmabestrijding

Sociaal wenselijke antwoorden bij stigma-meting worden omzeild met behulp van een speciaal ontwikkelde Error-Choice test
Bij het meten van publiek stigma is het lastig om te bepalen in hoeverre de respondenten sociaal wenselijke antwoorden geven. De error-choicemethode gebruikt een vragenlijst waarbij ogenschijnlijk kennis wordt getest, maar de respondenten moeten een keuze maken tussen twee foute antwoorden, waardoor feitelijk de vooroordelen worden gemeten. Deze methode is nog niet gebruikt voor het evalueren van stigma van psychische stoornissen. In dit Amerikaanse artikel worden de eerste resultaten van vier testen van de psychometrische eigenschappen van de op de error choice methode gebaseerde Knowledge Test of Mental Illness (KT) gerapporteerd. De KT heeft 14 multiple choice vragen over symptomen, etiologie, prognose en behandeling van psychische stoornissen waarop, afhankelijk van de vraag, een numeriek antwoord (percentages) of een waar/niet waar antwoord gegeven kan worden (twee antwoordmogelijkheden per vraag). De validiteit en de betrouwbaarheid werden bij vier verschillende groepen getest: studenten, volwassenen, GGZ hulpverleners, GGZ cliënten. Behalve de KT werden ook afgenomen: de Attribution Questionnaire (AQ-9) (publiek stigma), de Self-Determination Scale (SDS), de Empowerment Scale (ES) en bij de cliënten ook nog de Recovery Asessment Scale (RAS). Het blijkt dat de test-hertest-betrouwbaarheid van de KT uiteenloopt van redelijk (0.50) tot goed (0.70). De KT wordt positief en significant geassocieerd met de AQ-9. Dit duidt op een goede construct validiteit. Met de KT kunnen mogelijk sociaal wenselijke antwoorden bij het meten van publiek stigma worden omzeild. Michaels PJ & Corrigan PW (2013). Measuring mental illness stigma with diminished social desirability effects. Journal of Mental Health 22 (3), 218–226 Trefwoord: Stigmabestrijding

Evaluatie van het Time-to-Change anti-stigma programma in Engeland laat zien dat de ervaren discriminatie bij mensen die gebruik maken van GGZ hulpverlening significant is afgenomen
Themanummer over het omvangrijkste anti-stigma programma ooit in Engeland opgezet, bestaande uit 13 artikelen, waarvan 2 inleidingen en 3 commentaren op verzoek. Het Time to Change (TTC) anti-stigma programma heeft van 2008 tot en met 2011 gelopen en ging uit van de veronderstelling dat stigma bestaat uit problemen op het gebied van kennis (verkeerde informatie), houding (vooroordelen) en gedrag (discriminatie). TTC was gericht zowel op de algemene bevolking en specifieke doelgroepen als op de mensen met psychische problemen zelf. Voor een groot deel bestond TTC uit vier periodieke golven sociale marketing interventies (waarbij gebruikt werd gemaakt van massamediale kanalen zoals televisie, radio en kranten alsmede de nieuwe sociale media) en sociale contacten evenementen waarbij willekeurige burgers in contact werden gebracht met mensen met psychische problemen. Tussen 2009 en 2012 werd elk jaar bij een representatieve steekproef van de Engelse bevolking onderzocht in hoeverre kennis, houding en (voorgenomen en daadwerkelijk) gedrag ten opzichte van mensen met psychische problemen veranderde. Het bleek dat alleen het voorgenomen gedrag verbeterde en er een lichte verbetering in de houding ten opzichte van de doelgroep kon worden vastgesteld met behulp van verschillende meetinstrumenten. Als doel werd gesteld dat na 4 jaar de ervaren discriminatie bij mensen die gebruik maken van GGz hulpverlening als gevolg van TTC met 5% moest zijn afgenomen. Uiteindelijk kon een afname van 2,8% worden vastgesteld en bleef de ervaren discriminatie hoog, ook met betrekking tot GGz-hulpverleners. Een ander deelonderzoek keek naar eventuele veranderingen in de wijze waarop kranten GGZ-gerelateerde onderwerpen bespraken in de periode dat TTC liep. Er bleken significant meer anti-stigma artikelen tussen 2008 en 2011 in de Engelse kranten te verschijnen, maar er was geen proportionele afname van publicaties die stigma bevestigend waren. Een onderdeel van TTC heette Time to Challenge, een gericht programma om werkgevers meer bewust te maken van geestelijke gezondheidsproblemen op de werkvloer. Een survey onder werkgevers geeft een gemengd beeld. Positief is dat er meer erkenning is van mogelijke psychische problemen op de werkvloer. Uit de evaluatie van de effectiviteit van de massamediale componenten van TTC komt o.a. naar voren dat de sociale contacten evenementen sterk kunnen bijdragen tot het afnemen van stigma. Het Education Not Discrimination (END) onderdeel van TTC was een training gericht op stigma reductie bij hulpverleners en medische studenten. Het bleek dat 6 maanden na de interventie er nog maar weinig over was van de positieve veranderingen op gebied van kennis, houding en gedrag, zoals die net na de training was gemeten. Uit de economische evaluatie komt naar voren dat de TTC anti-stigma sociale marketing campagne potentieel kosteneffectief is. Een kanttekening wordt gemaakt door Michael Smith, die betrokken was bij de Schotse anti-stigma campagne ‘see me’ uit 2002. Hij zegt dat we nu al meer dan 60 jaar pogen om op dezelfde wijze een algemene verandering in de houding ten opzichte van mensen met psychische problemen te bewerkstelligen. En dat er weinig is veranderd. Anti-stigma campagnes gaan waarschijnlijk van verkeerde veronderstellingen uit. Henderson C, Smith M, Evans-Lacko S, Corker E, Thornicroft A, Friedrich B, Nettle M, Hinshaw SP, Link BG & Sartorius N et al (2013). Evaluation of the Time to Change programme in England 2008-2011. British Journal of Psychiatry 202 (s55), s45-s109.Trefwoord: Stigmabestrijding

Positieve krantenartikelen over psychiatrische patiënten kunnen stigma bij algemeen publiek doen afnemen, terwijl negatieve het stigma bevorderen
In dit Amerikaanse onderzoek werd aan 151 personen uit het algemene publiek –via een internetforum geworven-, die at random in drie groepen verdeeld werden, drie verschillende recente krantenartikelen voorgelegd: groep 1 kreeg een positief artikel over herstel van psychiatrische patiënten; groep 2 een negatief artikel over een falend systeem waardoor een persoon met een psychisch probleem zelfmoord kon plegen en groep 3 een neutraal artikel. Mate van stigma en bevestigende houding werden vóór en na het lezen gemeten met de Attribution Questionnaire (AQ) en Stigma Through Knowledge Test (STKT). De STKT omzeilt sociaal wenselijke antwoorden die met de AQ moeilijk te vermijden zijn. Hoe de respondenten tegen sociale inclusie van psychiatrische patiënten aankijken werd gemeten met de Self-Determination Scale (SDC) (kunnen mensen met psychische stoornis zelfstandig levensdoelen realiseren?); de Empowerment Scale (ES) (hoe krachtig zijn mensen met psychische problemen?) en de Recovery Scale (RS) (in hoeverre kunnen mensen met psychische problemen herstellen?). Het blijkt dat –gemeten met de STKT- de respondenten die het positieve artikel hadden gelezen significant minder stigma toekenden dan de respondenten van de andere twee groepen. Op de AQ waren er geen significante verschillen in scores. Op de SDC, de ES en de RS scoorde groep 1 significant lager (d.w.z. meer sociaal bevestigende, positieve houding) dan de andere twee groepen na het lezen van het artikel. Bij groep 2 nam het stigma toe na het lezen van het artikel. Het is van belang dat journalisten zich ervan bewust zijn dat de wijze waarop ze over mensen met psychische problemen berichten invloed heeft op mate van stigma in de samenleving. Corrigan PW, Powell KJ & Michaels PJ. (2013). The effects of news stories on the stigma of mental illness. Journal of Nervous and Mental Disease 201 (3), 179-82. Trefwoord: Stigmabestrijding

In Zweden blijken GGZ-hulpverleners dezelfde vooroordelen dan de algemene bevolking (en psychiatrische patiënten zelf) ten opzichte van psychiatrische patiënten te hebben
Uit literatuuronderzoek is naar voren gekomen dat de houding van GGZ-hulpverleners ten opzichte van personen met een psychische stoornis niet verschilt van die van het algemene publiek. Dit kan invloed hebben op de wijze waarop cliënten bejegend worden. In deze Zweedse studie werd onderzocht in hoeverre GGZ-hulpverleners (N=140) én GGZ-cliënten (N=141) negatieve en discriminatoire houdingen hebben ten opzichte van personen met een psychische stoornis. De data werden verzameld met behulp van de Perceived Devaluation-Discrimination Questionnaire (PDDQ) waarbij de respondenten gevraagd wordt in hoeverre ze het eens zijn -op een schaal van vier- met 12 uitspraken over psychiatrische patiënten, zoals b.v.:“de meeste werkgevers zullen een ex-psychiatrische patiënt aannemen als hij/zij voor de baan gekwalificeerd is”. Het blijkt dat de meerderheid van beide groepen een negatieve houding ten opzichte van de doelgroep heeft. Slechts op sommige items wordt er verschillend gescoord: significant meer cliënten vinden een ziekenhuisopname een teken van persoonlijk falen. Binnen de groep GGZ-hulpverleners zijn er subgroepen: jongere GGZ-hulpverleners hebben meer vooroordelen dan ouderen; GGz-hulpverleners die in de intramurale setting werken hebben een negatievere houding dan degenen die in de ambulante zorg zitten.Hansson L, Jormfeldt H, Svedberg P & Svensson B. (2013). Mental health professionals’ attitudes towards people with mental illness: do they differ from attitudes held by people with mental illness? International Journal of Social Psychiatry 59 (1), 48-54. Trefwoord: Stigmabestrijding

Bij personen met een ernstige psychische stoornis is de prevalentie van zelfstigma groot en hangt deze o.a. samen met laag gevoel van eigenwaarde en weinig self-efficacy
In deze Amerikaanse studie (N=100 Afrikaanse Amerikanen) wilde men 1. de prevalentie van zelfstigma (=geïnternaliseerd stigma) onderzoeken; en 2. een hypothetisch model testen over de onderlinge verbanden tussen zelfstigma, zelf-concept en psychiatrische symptomen. Zelfstigma werd gemeten met de Stigma of Mental Illness Scale (ISMI), ernst van de symptomen met de Brief Symptom Inventory (BSI) en herstelgerelateerde variabelen met de General Self-Efficacy Scale (SES), de Rosenberg Self-Esteem Scale (RSES) en de Mental Health Recovery Measure (MHRM). Een Structural Equation Model (SEM) werd ontwikkeld om verbanden te leggen tussen ervaren discriminatie als gevolg van een psychische stoornis en psychiatrische symptomen. Het bleek dat 35% van de respondenten een matig tot ernstig niveau van zelfstigma had zoals gemeten met de ISMI. Daarnaast had nog eens 46% een mild niveau van zelfstigma. Er was geen associatie tussen zelfstigma en leeftijd, sexe, werkstatus of opleidingsniveau. Uit de SEM bleek dat er een verband is tussen zelfstigma en enkele negatieve uitkomsten zoals laag gevoel van eigenwaarde (r=.56), weinig self-efficacy (r=63), weinig gericht zijn op herstel (r=.54) en ernstige psychiatrische symptomen (r=.56). Omdat zelfstigma via verschillende routes kan ontstaan, kunnen meerdere strategieën uit de cognitieve- en de cognitieve gedragstherapie worden aangewend om zelfstigma te bestrijden. Drapalski AL, Lucksted A, Perrin PB, Aakre JM, Brown CH, DeForge BR & Boyd JE. (2013). A Model of Internalized Stigma and Its Effects on People With Mental Illness. Psychiatric Services, 64 (3), 264-269. Trefwoord: Stigmabestrijding